ô
AANGETEKEND
NEDERLANDSCH
OCTROOIBUREAU
EUROPEAN PATENT & TRADEMARK ATTORNEYS
Federale Overheidsdienst Economie
Dienst voor de Intellectuele Eigendom
K.M.O., Middenstand & Energie
Koning Albert II-laan 16
B-1000 BRUSSEL
BELGIË
»N-:
>ssss^sl\oV
? ! r- !
, sj t-, SSsy st. .
T ..... -
Uw ref.
Onze réf. P6025206EP/BE
Den Haag, 26 februari 2009
Betreft: Europees octrooi nr. EP 1555572
ten name van Toray Industries, Inc.
verleend op 10 december 2008 (octrooiaanvragenummer 03758771.4)
Geachte heer, mevrouw,
In vervolg op onze fax van vandaag doen wij u hierbij de volgende documenten toeko-
men inzake bovengenoemd Europees octrooi:
- een Nederlandse vertaling van bovengenoemd Europees octrooi
- een door de octrooihouder ondertekende volmacht
Graag ontvangen wij uw bevestiging van ontvangst.
met vriendelijke groet,
Nede/landfsch Octrooibureau
bijlage:
51 bl| beschrijving met conclusies
1 volmacht
1 schutblad
'0103.2009
,03.2009 1
INTREE
O^d B ******** ' friands ' «««-«- I Office Tbe Hague: ,W,riso,aan 13 | 25,7 JS I T+31,0,70 331 25 00 | F +3?O)70 352 75 28
Office Ede: Benne 0^43 | 6717 LL , T+3, (0)3,8 707 CKX, , F+3, «0)318 707 007 , Office Eindhoven: Kennedyplein 236 , 561,7, , T+3?0,4O 239 37 40 , E+3, 0,40 23^37 »
arm .Mnn H r00ibUreaU iS re9iStered With thC Chamber °f C°mmerCe Undtr "°- 27263335 ' *P*p^«W«nd Conditions can be found on our website
_ABNAMRONL54ABNA0430O58534 Bic ABNANL2A | Rabo NUKRABOO, 23346001 Bic RAB0NL2U I ABN AMRO $4^U8ABNA0451. 5268 Bic ABNANL2A , BTW^AT Nt,3036367B0,
www.octrooibureau.nl
BELGIQUE
Brevets
BELGIUM
Patenis
Pouvoir.
Power of Attorney.
soussigné
The undersigned
TORAY INDUSTRIES, INC.
constitue (nt) pour Mandataire
appoint
NEDERLANDSCH OCTROOIBUREAU
à qui donne
et en
nécessaires à l'effet
pouvoir de, pour
nom, faire-toutes les démarches
as Agent to whom he (they) give power ' to take all
the necessary steps (or and in his (their) name
for
European application no. 03758771.4
European patent no. 1555572
Dutch title: Fotogevoelige harsdruk-
plaatvoorloper, werkwijze voor het
produceren daarvan en werkwijze voor
het daarmee produceren van een
harsreiiëfdrukplaat
En consequence, signer et déposer toutes pièces,- signer
tous registres, verser et retirer toutes taxes, présenter toutes
demandes relatives è des additions, perfectionnements,
prolongations, ou Introductions, levertoutes expéditions de
titres, procès-verbaux, etc. lever des copies officielles ou
autres même avant la délivrance ou la publication, retirer la
demande et la représenter s'il y a lieu.- élire domicile,
substituer tout ou partie des présents pouvoirs et faire en
général tout ce qui sera nécessaire ou utile pendant la durée
delà protection, déclarant reconnaître et ratifier tous les actes
accomplis pour-la réalisation du présent mandaL
In the execution of this power the said Attorney is authorized
and.empowered to sign and file all.necessary documents,
sign registers, pay and withdraw all taxes, introduce or file
petitions and requests for additions, improvements,
extension of terms, request all proceedings, etc obtain
copies, official or not, before grant or publication, withdraw.
the application and refile same if necessary, elect domicile,
substitute all or any part of tho present power, and do
generally all that may be necessary -or useful during the
protection period, the undersigned.acknowledging and
ratifying all acts accomplished in connection herewith.
Fait à
Ic
Signed al Tbk^D, Japan
this J^trA day oi August 2008
(Nom et qualité du signataire)
(Signatory's lull name and function)
s-
Chiaki Tan^ka
Executive Vice President
ô
NEDERLANDSCH
OCTROOIBUREAU
EUROPEAN PATENT & TRADEMARK ATTORNEYS
Certified Netherlands translation of a European Patent (Art 65 EPC)
Patent number
1555572
Patentee
Toray Industries, Inc.
Application filed on
22 October 2003
Application number
03758771.4
Patent mentioned in
European Patent Bulletin
10 December 2008
fp /Olli
Correspondence: P.O. Box 29720 | 2502 IS The Hague | The Netherlands I E-mail: info@octrooibureau.nl I Office The Hague: J.W. Frisolaan 13 I 2517 JS I T +31(0)70 331 2500 I F+31(0)70 352 75 28
Office Ede: Bennekomseweg 43 | 6717 LL | T +31(0)318 707 000 | F+31(0)318 707 007 | Office Eindhoven: Kennedyplein 236 | 5611 ZT | T+31(0)40 239 37 40 I F+31(0)40 239 37 50
N.V. Nederiandsch Octrooibureau is registered with the Chamber of Commerce under no. 27263335 I The General Terms and Conditions can be found on our website
ABN AMRO NL54ABNAO430058594 Bic ABNANL2A I Rabo NL92RAB00129946001 Bic RAB0NL2U I ABN AMRO $-account NL18ABNA0451715268 Bic ABNANL2A | BTW/VAT NL813036367B01
www.octrooibureau.nl
5
15
1
Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper. werkwijze voor het produceren daarvan en
werkwijze voor het daarmee produceren van een harsreliëfdrukplaat
Beschrijving
Technisch Gebied
[0001] De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een fotogevoelige harsdruk-
plaatvoorloper die geschikt is voor digitale informatie-overdracht en in een beeldvorm
10 belicht wordt met licht en vervolgens ontwikkeld wordt met water of een op water ge-
baseerde vloeistof, op een werkwijze voor het produceren daarvan, en op een werk-
wijze voor het produceren van een hoogdrukplaat onder gebruikmaking daarvan.
Achtergrond van de Techniek
[0002] Fotogevoelige harssamenstellingen worden in het algemeen gebruikt voor
drukplaten, en het gebruik daarvan is de voornaamste trend op de gebieden van hoog-
druk, lithografie, diepdruk, en flexografisch drukken.
[0003] Voor een dergelijke drukplaat wordt een fotogevoelige harslaag in nauw contact
20 gebracht met een film met origineel patroon en door de film met origineel patroon heen
belicht met licht voor het vormen van in een oplosmiddel oplosbare en onoplosbare
gedeelten, en op deze wijze wordt een reliëfpatroon gevormd en gebruikt als een
drukplaat.
[0004] Voor de drukplaat is een negatieve of positieve film met origineel patroon
25 nodig, en derhalve nemen de tijd en kosten van de productie daarvan toe. Aangezien de
film met origineel patroon ontwikkeld moet worden door middel van chemische behan-
deling en de afvalvloeistof van het ontwikkelen behandeld moet worden, brengt het
gebruik van de drukplaat bovendien problemen met betrekking tot milieu en gezond-
heid met zich mee.
30 [0005] Een zogenaamde CTP ("computer to plate")-werkwijze waarbij op een
computer verwerkte informatie direct naar een drukplaat wordt overgebracht voor het
vervaardigen van een reliëfdrukplaat zonder de stap van het vormen van een film met
origineel patroon is voorgesteld in samenhang met de opmars van computers. In het
EU 1555 572 Bl
2
CTP-proces wordt een beeldmasker "in situ" gevormd over een fotogevoelige harslaag
met een door digitale gegevens bestuurde laser, en vervolgens wordt het gehele opper-
vlak van de fotogevoelige harslaag, door het beeldmasker heen, belicht met actief licht,
kenmerkend ultraviolet licht, zodat alleen de zones van de fotogevoelige harslaag die
5 niet bedekt zijn met het beeldmasker selectief gehard worden. Het proces heeft enkele
voordelen. Omdat bij dit proces bijvoorbeeld de bovenstaande stap van het vormen van
een film met origineel patroon of behandeling van afvalvloeistof van de ontwikkeling
van de film met origineel patroon niet nodig is5iis het met betrekking tot milieu en ge-
zondheid van voordeel. Bovendien kan met het proces een scherp reliëf worden verkre-
10 gen.
[0006] Er is specifiek een werkwijze voorgesteld voor het vormen van een
beeldmaskerbekleding op een fotogevoelig registratiebestanddeel met een inktjetprinter
of een elektrofotografische printer (zie, bijvoorbeeld het Duitse octrooischrift nr.
4117127 (Blz. 1)). Helaas kunnen met deze werkwijze geen scherpe beelden worden
15 verkregen.
[0007] Er is eveneens een andere werkwijze voorgesteld waarbij een fotogevoelig
flexografisch registratiemateriaal met een fotogevoelige elastomeerlaag, een voor infra-
rood licht gevoelige laag die ondoorschijnend is voor ultraviolet licht, en een afdekvel
bestraald wordt met infrarood laserlicht voor het vormen van een beeldmaskerbekle-
20 ding (zie, bijvoorbeeld, het Amerikaanse octrooischrift nr. 5.607.814 (kolommen 17-
18)). De bovengedeeltes van zones van de voor infrarood licht gevoelige laag die be-
straald worden met infrarood laserlicht hechten aan het afdekvel. De met infrarood la-
serlicht bestraalde zones van de voor infrarood gevoelige laag worden selectief verwij-
derd door het afpellen van het afdekvel. Helaas kan deze werkwijze beschadiging zoals
25 krassen veroorzaken op het afdekvel, dat ook werkt als een beschermende laag, en zo-
doende resulteert de beschadiging op nadelige wijze in onvolledige informatieover-
dracht. Ook kunnen door het ontwikkelen door middel van het afpellen van de voor
infrarood licht gevoelige laag de niet met infrarood laserlicht bestraalde zones gemak-
kelijk loslaten, en dit is derhalve ongeschikt voor het vormen van scherpe beeldmas-
30 kers.
[0008] Zelfs op het gebied van reliëfdrukken is het CTP-proces algemeen voorgesteld
voor een flexografische drukplaat, vervaardigd uit een elastomeer bindmiddel, zoals
butadieenrubber of styreenrubber, als een hars, en kan een waterige inkt worden
EUl 555 572 Bl
3
gebruikt. Op het gebied van hoogdrukplaten, die vervaardigd zijn uit een oplosbare hars
in plaats van het elastomeer bindmiddel en waarbij een op olie gebaseerde inkt gebruikt
kan worden, zijn anderzijds weinig werkwijzen voor het CTP-proces voorgesteld. Dit
omdat de polariteiten van de voor infrarood licht gevoelige laag en de fotogevoelige
5 harslaag, die vervaardigd is uit de oplosbare hars, de neiging hebben dicht bij elkaar te
liggen, en als gevolg daarvan hebben de voor infraroodlicht gevoelige laag en de foto-
gevoelige harslaag de neiging in de loop van de tijd te mengen.
[0009] Bij het drukken onder gebruikmakiiïg van flexografische platen is het drukken
tussen de plaatcilinder en de bedrukkingscilinder op zwak ingesteld omdat het reliëf
10 waarop een beeld overgebracht wordt, zacht is. De flexografische plaat is geschikt voor
het bedrukken van golfkartonplaten met ongelijkmatige oppervlakken en flexibele
verpakkingsfilms die minder bestand zijn tegen hoge printdruk. In tegenstelling daartoe
kan bij het hoogdrukken de printdruk tussen de plaatcilinder en de bedrukkingscilinder
hoog worden ingesteld. Dit omdat het reliëf zo hard is dat dit niet wordt vervormd door
15 hoge printdruk en, dienovereenkomstig, wordt voorkomen dat de drukkwaliteit, zoals
een grotere letterbreedte, achteruitgaat. Door het vergroten van de printdruk onder ge-
bruikmaking van een hoogdrukplaat kan inkt dik worden opgebracht om bedrukt mate-
riaal een sterke textuur te verlenen, en kan metaal, waarop het relatief moeilijk is inkt
over te brengen, worden bedrukt.
20 [0010] Voor de fotogevoelige hoogdrukplaat waarbij gebruik gemaakt wordt van het
CTP-proces is een fotogevoelig registratiemateriaal voor hoogdruk voorgesteld met een
fotogevoelige harslaag, indien nodig een voor zuurstof doorlatende tussenlaag, een
voor infrarood licht gevoelige laag die doorschijnend is voor ultraviolet licht, en een
beschermende laag (zie, bijvoorbeeld, het Amerikaanse octrooischrift 6.020.108 (ko-
25 lommen 11-12)). Nadat de beschermende laag is afgepeld, wordt de voor infrarood
licht gevoelige laag bestraald met infrarood laserlicht voor het vormen van een beeld-
masker. Nadat het gehele oppervlak belicht is met ultraviolet licht, worden het beeld-
masker en de niet geharde zones van de fotogevoelige laag verwijderd door dezelfde
ontwikkelaar. De voor zuurstof doorlaatbare tussenlaag voorkomt massaoverdracht
30 tussen de fotogevoelige harslaag en de voor infrarood licht gevoelige laag en het ver-
wijderen van de fotogevoelige harslaag door lasergraveren. De voor infrarood licht ge-
voelige laag wordt gevormd door het toevoegen van een infrarood licht absorberende
en UV-blokkerende substantie, zoals roet, aan een in water oplosbaar of in water dis-
EU1 555 572 Bl
4
pergeerbaar bindmiddel. De voor infrarood licht gevoelige laag heeft echter geen ver-
knoopte structuren en brokkelt daarom in het geval van onvolkomenheden aan de bui-
tenzijde. Het is derhalve noodzakelijk aandacht te schenken aan het hanteren van het
materiaal na het afpellen van de beschermende laag.
5 [0011] Er is ook een andere werkwijze voorgesteld waarbij het beeldmasker gevormd
wordt door een fotogevoelige hoogdrukplaatvoorloper met een fotogevoelige harslaag,
een filmlaag, en een voor infrarood licht gevoelige laag op een substraat te bestralen
met infrarood laserlicht (zie, bijvoorbeeld, de Europese octrooiaanvrage 1152296
(kolom 26)). Bij deze werkwijze wordt het gehele oppervlak van de drukplaatvoorloper
10 door het resulterende beeldmasker heen belicht met ultravioletlicht, en vervolgens
wordt het beeldmasker afgepeld en samen met de filmlaag verwijderd, gevolgd door
ontwikkelen met water voor het verkrijgen van een hoogdrukplaat. Door deze
werkwijze kunnen de bestanddelen van de voor infrarood licht gevoelige laag van het
beeldmasker de ontwikkelaar niet verontreinigen en kan de afvalontwikkelaar met
15 voordeel gemakkelijk behandeld worden. Wanneer de filmlaag tussen de fotogevoelige
harslaag en de voor infrarood licht gevoelige laag echter een grote dikte heeft, dan kan
als gevolg van de grote dikte ultraviolet licht gemakkelijk afbuigen of dispergeren.
Wanneer een minder gerichte ultraviolet lichtbron gebruikt wordt dan kan het resulte-
rende beeld derhalve ongewenst groot worden.
20 [0012] Gezien de bovenbeschreven nadelen is de doelstelling van de onderhavige
uitvinding een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper te verschaffen waarmee een op-
staand reliëfpatroon gevormd kan worden zonder gebruik van enige film met origineel
patroon, een werkwijze voor het produceren daarvan, en een werkwijze voor het produ-
ceren van een hoogdrukplaat onder gebruikmaking daarvan.
25 [0013] Om de nadelen te ondervangen verschaft de onderhavige uitvinding volgens een
eerste aspect een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper omvattende, op een drager, in
deze volgorde, (A) een fotogevoelige harslaag (A) die een in water oplosbare of in
water dispergeerbare hars en een door middel van ultraviolet licht hardend monomeer
bevat; (B) eventueel een laag (B) voor aanpassing van de hechting die een in water op-
30 losbare of in water dispergeerbare hars bevat; (C) een niet in water oplosbare warmte-
gevoelige maskerlaag (C) die een infrarood licht absorberend materiaal bevat, waarbij
de niet in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) verknoopt is met een hard-
bare hars, en waarbij, in afwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B) de niet in
EUl 555 572 Bl
5
water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de fotogevoelige
harslaag (A) gevormd is, en in aanwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B) de
niet in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de hechting-
aanpassingslaag (B) gevormd is.
5 [0014] Uitvoeringsvormen volgens de onderhavige uitvinding betreffen zodoende een
fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper die, op een drager in deze volgorde, een fo-
togevoelige harslaag (A) omvat die een in water oplosbare of in water dispergeerbare
hars en een door middel van ultraviolet lieht hardbaar monomeer bevat; een niet in
water oplosbare voor warmte gevoelige maskerlaag (C) die een infrarood licht absorbe-
10 rend materiaal bevat, waarbij de niet in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag
(C) verknoopt is met een hardbare hars.
[0015] Volgens een tweede aspect wordt een werkwijze verschaft voor het produceren
van een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper, welke werkwijze de stappen omvat van
(i) het vormen van een fotogevoelig harsvel door het op een substraat afzetten van een
15 fotogevoelige harslaag (A) die een in water oplosbare of in water dispergeerbare hars
en een door middel van ultraviolet licht hardbaar monomeer bevat; (ii) het vormen van
een warmtegevoelig maskerelement omvattend een niet in water oplosbare
warmtegevoelige maskerlaag (C) die verknoopt is met een hardbare hars; (iii) eventueel
verschaffen, tussen de fotogevoelige harslaag (A) en de warmtegevoelige maskerlaag
20 (C), van een de hechting aanpassende laag (B) die een in water oplosbare of in water
dispergeerbare hars bevat; en (iv) het lamineren van het oppervlak van de fotogevoelige
harslaag (A) van het fotogevoelige harsvel op het warmtegevoelige maskerelement;
waarbij, in afwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B), de niet in water oplosbare
warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de fotogevoelige harslaag (A) gevormd
25 is, en in aanwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B) de niet in water oplosbare
warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de hechtingaanpassingslaag (B)
gevormd is.
[0016] Uitvoeringsvormen van dit aspect van de uitvinding zijn zodoende gericht op
een werkwijze voor het produceren van een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper,
30 waarbij de werkwijze de stappen omvat van:
(i) het vormen van een fotogevoelig harsvel door het op een substraat afzetten
van een fotogevoelige harslaag (A) die een in water oplosbare of in water disper-
EU1 555 572 Bl
10
6
geerbare hars en een door middel van ultraviolet licht hardbaar monomeer bevat;
(ii) het vormen van een wanntegevoelig maskerelement omvattend een niet in
water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) die verknoopt is met een hard-
bare hars; en
(iii) het lamineren van het oppervlak van de fotogevoelige harslaag (A) van het
fotogevoelige harsvel op het warmtegevoelige maskerelement.
[0017] Verder wordt een werkwijze vetschaft voor het produceren van een
hoogdrukplaat, die als volgt verloopt:
de "werkwijze voor het produceren van een hoogdrukplaat, welke werkwijze de
stappen omvat van:
(1) het vervaardigen van een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens de
15 onderhavige uitvinding;
(2) het vormen van een beeldmasker (C) door het beeld voor beeld bestralen van
de warmtegevoelige maskerlaag (C) met infrarood laserlicht;
(3) het door het beeldmasker (C) heen belichten met ultraviolet licht voor het
vormen van een latent beeld op de fotogevoelige harslaag (A); en
20 (4) het verwijderen van het beeldmasker (C) en de niet met ultraviolet licht be-
lichte gedeelten van de fotogevoelige harslaag (A) door ontwikkelen met een op
water gebaseerde vloeistof."
25
Beste Wijze voor het Uitvoeren van de Uitvinding
[0018] De onderhavige uitvinding verschaft op eenvoudige wijze een fotogevoelige
harsdrukplaatvoorloper waarmee een opstaand reliëfpatroon gevormd kan worden
zonder gebruik van enige film met origineel patroon. De uitvinding kan niet alleen toe-
gepast worden bij hoogdrukplaten die opstaande reliëfs hebben, maar ook bij flexogra-
30 fische drukplaten, diepdrukplaten, lithografische drukplaten en stencildrukplaten zon-
der de toepassing daartoe te beperken, zolang een fotogevoelige hars gebruikt wordt.
[0019] Nu zullen bij wijze van voorbeeld uitvoeringsvormen van de onderhavige
. uitvinding worden beschreven.
EU 1 555 572 Bl
7
[0020] De fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens de onderhavige uitvinding
heeft een gelaagde structuur die wordt gevormd door het op een drager, in deze
volgorde, afzetten van een fotogevoelige harslaag (A) en een voor warmte gevoelige
maskerlaag (C).
5 [0021] De fotogevoelige harslaag (A) volgens de onderhavige uitvinding dient een in
water oplosbare of in water dispergeerbare hars en een door middel van ultraviolet licht
hardbaar monomeer te bevatten. De laag (A) wordt gehard door belichten met ul-
traviolet licht, bij voorkeur met een golfleögte^van 300 tot 400 nm. De fotogevoelige
harslaag (A) wordt gevormd uit een fotogevoelige harssamenstelling in, bij voorkeur,
10 een vel met een dikte van 0,1 tot 10 mm.
[0022] De bovengenoemde fotogevoelige harssamenstelling bevat een in water
oplosbare of in water dispergeerbare hars en een door middel van ultraviolet licht hard-
baar monomeer, en bevat bij voorkeur verder een fotopolymerisatie-initiator.
[0023] De in water oplosbare of in water dispergeerbare hars volgens de onderhavige
15 uitvinding fungeert als een dragerhars voor het vasthouden van de vorm van de
fotogevoelige harssamenstelling die leidt tot een vaste toestand, en waardoor de foto-
gevoelige harslaag (A) in water ontwikkeld kan worden. Dergelijke harsen omvatten,
bijvoorbeeld, polyvinylalcohol, polyvinylacetaat, gedeeltelijk verzeept polyvinylacetaat
(gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol), celluloseharsen, acrylharsen, polyamidehar-
20 sen met een hydrofiele groep zoals polyethyleenoxide, ethyleen/vinylacetaatcopolyme-
ren, en hun gemodificeerde vormen. Hiervan verdienen de voorkeur polyvinylalcohol,
gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol, polyamideharsen met een hydrofiele groep, en
hun gemodificeerde vormen.
[0024] Het door middel van ultraviolet licht hardbare monomeer kan in het algemeen
25 verknoopt worden door radicaalpolymerisatie, en is niet specifiek beperkt zolang het
door middel van radicaalpolymerisatie verknoopt kan worden. Voorbeelden van het
door middel van ultraviolet licht hardbare monomeer omvattende verbindingen met een
enkele ethenisch onverzadigde binding, bijvoorbeeld (meth)acrylaten met een hydroxy-
groep, zoals 2-hydroxyethyl(meth)acrylaat, 2-hydroxypropyl(meth)acrylaat, 2-hy-
30 droxybutyl(meth)acrylaat, 3-chloor-2-hydroxypropyl(meth)acrylaat, en ß-hydroxy-ß'-
(meth)acryloyloxyethylftalaat; alkyl(meth)acrylaten, zoals methyl(meth)acrylaat, ethyl-
(meth)acrylaat, propyl(meth)acrylaat, butyl(meth)acrylaat, isoamyl(meth)acrylaat, 2-
. ethylhexyl(meth)acrylaat, lauryl(meth)acrylaat, en stearyl(meth)acrylaat; cyclo-
EU 1 555 572 Bl
8
alkyl(meth)acrylaten, zoals cyclohexyl(meth)acrylaat; halogeenalkyl(meth)acrylaten,
zoals chloorethyl(meth)acrylaat en chloorpropyl(meth)acrylaat; alkoxyalkyl(meth)-
acrylaat, zoals methoxyethyl(meth)acrylaat, ethoxyethyl(meth)acrylaat, en butoxyethyl-
(meth)acrylaat; fenoxyalkyl(meth)acrylaten, zoals fenoxyethylacrylaat en nonylfenoxy-
5 ethyl(meth)acrylaat; alkoxyalkyleenglycol(meth)acrylaten, zoals ethoxydiethyleengly-
col(meth)acrylaat, methpxytriethyleenglycol(meth)acrylaat, en methoxydipropyleen-
glycol(meth)acrylaat; (meth)acrylamides5 zoals (meth)acrylamide, diaceton(meth)-
acrylamide, en N,N'-methyleen-bis-(nteth)acrylamide; 2,2-dimethylaminoethyl-
(meth)acrylaat; 2,2-diethylaminoethyl(meth)acrylaat; N,N-dimethylaminoethyl(meth)-
10 acryiamide; en N,N-dimethylaminopropyl (meth)acrylamide. De door middel van ul-
traviolet licht hardbare monomeren omvatten eveneens verbindingen met ten minste
twee ethenisch onverzadigde bindingen, bijvoorbeeld, polyethyleenglycoldi-
(meth)acrylaten, zoals diethyleenglycoldi(meth)acrylaat; polypropyleenglycoldi(meth)-
acrylaten, zoals dipropyleenglycoldi(meth)acrylaat; trimethylolpropaantri(meth)acry-
15 laat; pentaerytritoltri(meth)acrylaat; pentaerytritoltetra(meth)acrylaat; glyceroltri-
(meth)acrylaat; meerwaardige (meth)acrylaten bereid door toevoegen van een verbin-
ding met een ethenisch onverzadigde binding en geactiveerde waterstof, zoals een on-
verzadigd carbonzuur of een onverzadigde alcohol, aan ethyleenglycoldiglycidylether;
meerwaardige (meth)acrylaten bereid door een additiereactie van een onverzadigde
20 epoxyverbinding, zoals glycidyl(meth)acrylaat, met een verbinding met geactiveerde
waterstof, zoals een carbonzuur of een amine; meerwaardige (meth)acrylamides, zoals
methyleen-bis-(meth)acrylamide; en meerwaardige vinylverbindingen, zoals divinyl-
benzeen.
[0025] De bij de onderhavige uitvinding geschikt gebruikte fotopolymerisatie-initiator
25 is niet specifiek beperkt, zolang deze polymeriseerbare onverzadigde koolstof-
koolstofbindingen met licht kan polymeriseren. Onder andere de voorkeur verdienen
verbindingen die radicalen kunnen produceren door zelf-splitsing of waterstofverwijde-
ring, zoals benzoïnealkylethers, benzofenonen, antrachinonen, benzilen, acetofenonen,
en diacetylen.
30 [0026] Teneinde de verenigbaarheid en flexibiliteit te bevorderen kan een ander
bestanddeel, bijvoorbeeld een meerwaardige alcohol, toegevoegd worden aan de foto-
gevoelige harssamenstelling. Dergelijke meerwaardige alcoholen omvatten ethyleen-
glycol, diethyleenglycol, triethyleenglycol, polyethyleenglycol, glycerol, trimethylol-
EU 1555 572 Bl
9
propaan, en trimethylolethaan. Een bekende polymerisatieremmer kan eveneens wor-
den toegevoegd om de thermische stabiliteit te bevorderen. De voorkeur verdienende
polymerisatieremmers omvatten fenolen, hydrochinonen en catecholen. Er kunnen ook
andere additieven worden toegevoegd, zoals kleurstof, pigment, oppervlakte-actief
5 middel, UV-absorptiemiddel, parfum, en anti-oxidans.
[0027] De werkwijze voor het produceren van de fotogevoelige harslaag (A) uit de
fotogevoelige harssamenstelling is niet specifiek beperkt. Nadat een dragerhars in een
oplosmiddel is opgelost, kan bijvoorbeeld efen dpor middel van UV-licht hardbaar mo-
nomeer en een fotopolymerisatie-initiator aan de oplossing worden toegevoegd en
10 wordt het mengsel voldoende geroerd om een oplossing van de fotogevoelige harssa-
menstelling te verkrijgen. De resulterende oplossing wordt onderworpen aan verwijde-
ring van het oplosmiddel en vervolgens door middel van smelten geëxtrudeerd op een
drager die, bij voorkeur, bekleed is met een kleefiniddel. In plaats daarvan kan de op-
lossing waarin een deel van het oplosmiddel achterblijft door middel van smelten ge-
15 ëxtrudeerd worden op een drager die bekleed is met een kleefiniddel, en vervolgens
wordt het overblijvende oplosmiddel aan de lucht gedroogd gedurende een tijdsverloop
waardoor de fotogevoelige harslaag (A) verkregen wordt.
[0028] Het materiaal van de bij de onderhavige uitvinding gebruikte drager is niet
specifiek beperkt, doch heeft bij voorkeur een dimensionele stabiliteit. Dergelijke dra-
20 germaterialen omvatten, bijvoorbeeld, metalen platen, zoals van staal, roestvrij staal, en
aluminium; kunststof vellen, zoals van polyester; en vellen van synthetische rubber,
zoals uit styreen-butadieenrubber.
[0029] De bij de onderhavige uitvinding gebruikte warmtegevoelige maskerlaag (C)
heeft de volgende functies: (1) de maskerlaag absorbeert doeltreffend infraroodla-
25 serlicht voor het genereren van warmte, zodat de warmte er snel voor zorgt dat de ge-
hele maskerlaag verdampt of wegsmelt, waardoor een verschil in optische dichtheid
verkregen wordt tussen met laserlicht bestraalde en niet-bestraalde gebieden, dat wil
zeggen dat de optische dichtheid in de bestraalde gebieden wordt gereduceerd; (2) de
maskerlaag blokkeert in hoofdzaak ultraviolet licht.
30 [0030] De warmtegevoelige maskerlaag (C) is een niet in water oplosbare
warmtegevoelige laag die een infrarood licht absorberend materiaal bevat. Bij voorkeur
bevat de laag (C) verder een pyrolyseerbare verbinding die verdampt of verwijderd kem
worden door middel van warmte en een UV-licht absorberend materiaal met als functie
EU 1 555 572 Bl
10
het blokkeren van ultraviolet licht, in aanvulling op het infrarood licht absorberende
materiaal, dat infrarood laserlicht absorbeert om het licht in warmte om te zetten.
[0031] Met als functie het blokkeren van ultraviolet licht betekent hierin dat de
optische dichtheid van de warmtegevoelige maskerlaag (C) 2,5 of meer is, bij voorkeur
5 3,0 of meer. In het algemeen wordt de optische dichtheid voorgesteld door D en gede-
finieerd door de volgende vergelijking:
D = log,o(100/3) = log,o(Io/I)
10 (waarbij T doorlaatbaarheid voorstelt (eenheid: %); lo intensiteit van invallend licht
voorstelt voor het meten van doorlaatbaarheid; en I de intensiteit van doorgelaten licht
voorstelt).
[0032] De optische dichtheid kan worden afgeleid van een gemeten intensiteit van
doorgelaten licht waarbij de intensiteit van invallend licht op constant is ingesteld, of
15 kan worden afgeleid van een gemeten intensiteit van invallend licht die vereist is om
een intensiteit van doorgelaten licht te bereiken. Bij de onderhavige uitvinding verwijst
de optische dichtheid naar een waarde die van de voorgaande is afgeleid, dat wil zeg-
gen de intensiteit van doorgelaten licht.
[0033] De optische dichtheid kan gemeten worden onder gebruikmaking van een
20 orthochromatisch filter en een Macbeth-transmissiedichtheidsmeter TR-927 (vervaar-
digd door Kollmorgen Instruments Corp.).
[0034] Het infrarood licht absorberende materiaal is niet specifiek beperkt, zolang het
infrarood licht kan absorberen en het licht kan omzetten in warmte. Voorbeelden van
het infrarood licht absorberende materiaal omvatten: zwarte pigmenten, zoals roet;
25 anilinezwart, en cyaninezwart; groene pigmenten, zoals ftalocyaninen en naftalocya-
nine; rhodaminekleurstoffen; naftochinonkleurstoffen; polymethinekleurstoffen; dii-
moniumzouten; azoimoniumkleurstoffen; chalcogeenkleurstoffen; carbongrafiet; ijzer-
poeder; diaminemetaalcomplexen; dithiolmetaalcomplexen; fenolthiolmetaalcom-
plexen; mercaptofenolmetaalcomplexen; arylaluminiummetaalzouten; kristalwater be-
30 vattende anorganische verbindingen; kopersulfaat; chroomsulfide; silicaten; metaaloxi-
den, zoals titaniumoxide, vanadiumoxide, mangaanoxide, ijzeroxide, kobaltoxide, en
wolfraamoxide; hydroxiden en sulfaten van deze metalen; en metaalpoeders, zoals die
van bismut, tin, tellurium, ijzer, en aluminium.
EUl 555 572 Bl
11
[0035] Hiervan verdient roet de voorkeur, vanuit het oogpunt van fotothermische
omzettingsefficiëntie, kosteneffectiviteit, en hanteringsgemak, en verder hierna be-
schreven absorptie van ultraviolet licht. Roet wordt ingedeeld in ovenroet, kanaalroet,
thermisch roet, acetyleenroet, lamproet, en andere, overeenkomstig het bereidingspro-
5 ces. Hiervan wordt bij voorkeur ovenroet gebruikt omdat het in de handel in verschei-
dene types, bijvoorbeeld, qua korrelafmeting, verkrijgbaar is en in de handel goedkoop
verkregen kan worden.
[0036] Het infrarood licht absorberende materiaal wordt bij voorkeur gebruikt in een
hoeveelheid van 2 tot 75 gewichtsprocent, met meer voorkeur 5 tot 70 gewichtsprocent,
10 met betrekking tot het volledige gewicht van de warmtegevoelige maskerlaag (C). Een
hoeveelheid van 2 gewichtsprocent of meer leidt tot efficiënte fotothermische
omzetting, en een hoeveelheid van 75 gewichtsprocent of minder voorkomt dat andere
bestanddelen ontbreken waardoor de warmtegevoelige maskerlaag (C) hierdoor neigt
tot het oplopen van krassen.
15 [0037] Voorbeelden van de in de laag (C) gebruikte pyrolyseerbare verbinding
omvatten ammoniumnitraat, kaliumnitraat, natriumnitraat, nitroverbindingen zoals ni-
trocellulose, organische peroxiden, polyvinylpyrrolidon, azoverbindingen, diazoverbin-
dingen, hydrazinederivaten, en de metalen en metaaloxiden die zijn opgesomd in de
paragraaf betreffende het infrarood licht absorberende materiaal. Bij voorkeur worden
20 macromoleculaire verbindingen gebruikt, zoals polyvinylpyrrolidon en nitrocellulose,
vanuit het oogpunt van, bijvoorbeeld, eenvoudig gebruik van oplossing.
[0038] Bij het gebruik van nitrocellulose is de viscositeit van nitrocellulose bij
voorkeur 1/16 tot 1 seconde en met meer voorkeur 1/8 tot 1/2 seconde wanneer de vis-
cositeit gemeten wordt in overeenstemming met de in ASTM D301-72 gespecificeerde
25 methode. De viscositeit correspondeert met de polymerisatiegraad van nitrocellulose,
en een lage viscositeit verwijst naar een lage polymerisatiegraad. Indien de viscositeit
1/16 seconden of meer is dan wordt de polymerisatiegraad van nitrocellulose zo hoog
dat krassen in het oppervlak van de warmtegevoelige maskerlaag (C) worden voorko-
men; indien de viscositeit 1 seconde of minder is, wordt ongemak bij het hanteren, die
30 het resultaat is van hoge viscositeit, voorkomen.
[0039] Nitrocellulose heeft de neiging schadelijke NOx-gassen te genereren wanneer
het gepyrolyseerd wordt. Indien de warmtegevoelige maskerlaag (C) nitrocellulose
bevat, is het noodzakelijk dat de plaatzetter voor het tekenen van een maskerpatroon
EU 1555 572 Bl
12
met een infraroodlaser direct voorzien is van een luchtverzameleenheid voor het ont-
trekken van gegenereerd NOx en een eenheid voor het ontleden van het NOx in on-
schadelijke verbindingen. Dienovereenkomstig zal de plaatzetter een grote afmeting
hebben en nadelig duur worden.
5 [0040] Dit nadeel kan worden ondervangen door gebruik van een pyrolyseerbare
verbinding die geen NOx-bron bevat, zoals de nitrogroep.
[0041] Acrylhars is relatief gemakkelijk te pyrolyseren en er bestaat geen gevaar voor
het genereren van NOx aangezien het gçen stikstofatoom bevat. Acrylhars wordt
derhalve bij voorkeur gebruikt als een pyrolyseerbare verbinding in plaats van nitro-
10 cellulose. In het algemeen heeft acrylhars een pyrolysetemperatuur van 190 tot 250°C.
Indien het primair de bedoeling 'is het genereren van NOx te voorkomen, verdient het
de voorkeur dat de warmtegevoelige maskerlaag (C) in hoofdzaak geen nitrocellulose
bevat. In hoofdzaak geen nitrocellulose bevattend betekent dat het nitrocellulosegehalte
in de samenstelling van de warmtegevoelige maskerlaag (C) 2 gewichtsprocent of min-
15 der is. Dit omdat een nitrocellulosegehalte van 2 gewichtsprocent of minder de hoe-
veelheid gegenereerd NOx reduceert tot een gehalte waarbij het geen problemen met
betrekking tot milieu en gezondheid veroorzaakt.
[0042] Acrylhars is een polymeer of copolymeer van ten minste één monomeer
gekozen uit de groep bestaande uit acrylzuren, methacrylzuren, acrylaten en metha-
20 crylaten.
[0043] Aangezien massaoverdracht op de onderliggende fotogevoelige harslaag (A)
voorkomen kan worden door gebruik van een niet in water en alcohol oplosbare
acrylhars, worden met meer voorkeur niet in water/alcohol oplosbare acrylharsen ge-
bruikt.
25 [0044] De pyrolyseerbare verbinding wordt gebruikt in een hoeveelheid van, bij
voorkeur, 80 gewichtsprocent of minder, met meer voorkeur 15 tot 60 gewichtsprocent,
met betrekking tot de gehele samenstelling van de warmtegevoelige maskerlaag (C).
Gebruik van 80 gewichtsprocent of minder pyrolyseerbare verbinding voorkomt dat
zich moeilijkheden voordoen bij het pyrolyseren van de pyrolyseerbare verbinding,
30 resulterend uit de afname van de hieronder beschreven hoeveelheid van een materiaal
voor fotothermische omzetting.
[0045] Het geschikt in de laag (C) gebruikte UV-licht absorberende materiaal is niet
specifiek beperkt, doch is bij voorkeur een verbinding met een absorptieband in het
EU 1 555 572 Bl
13
gebied van 300 tot 400 nm. Voorbeelden van dergelijke verbindingen omvatten ben-
zotriazoolverbindingen, triazinen, benzofenonverbindingen, roet, en de in de paragraaf
betreffende het infrarood licht absorberende materiaal opgesomde metalen en metaal-
oxiden. Hiervan verdient roet de voorkeur aangezien het in zowel het infraroodgebied
5 als in het ultravioletgebied kan absorberen en fungeert als een fotothermisch omzet-
tingsmateriaal.
[0046] Het UV-licht absorberende materiaal wordt bij voorkeur gebruikt in een
hoeveelheid van 0,1 tot 75 gewichtsprocent1; met meer voorkeur 1 tot 50 gewichtspro-
cent, met betrekking tot de gehele samenstelling van de warmtegevoelige maskerlaag
10 (C). Het gebruik van ten minste 0,1 gewichtsprocent UV-licht absorberend materiaal
levert een vereiste optische dichtheid, en het gebruik van 75 gewichtsprocent of minder
UV-licht absorberend materiaal voorkomt dat andere bestanddelen ontbreken waardoor
de warmtegevoelige maskerlaag (C) hierdoor neigt tot het oplopen van krassen.
[0047] De warmtegevoelige maskerlaag (C) wordt direct op de fotogevoelige harslaag
15 (A) afgezet of met een de hechting aanpassende laag (B) daartussen. De fotogevoelige
harslaag (A) bestaat uit een zogenaamde hydrofiele samenstelling, die een in water
oplosbare of in water dispergeerbare hars bevat. Indien de hechtingaanpassingslaag (B),
die later beschreven zal worden, eveneens bestaat uit een zogenaamde hydrofiele
samenstelling die een in water oplosbare of in water dispergeerbare hars bevat, dan
20 veroorzaakt een warmtegevoelige maskerlaag (C) die opgebouwd is uit een hydrofiele
samenstelling dat door massaoverdracht tussen de lagen de intrinsieke functie van elke
laag achteruitgaat. Indien bijvoorbeeld een monomeer van de fotogevoelige harslaag
(A) overgaat in de warmtegevoelige maskerlaag (C), dan gaan de karakteristieken van
het losmaken van de warmtegevoelige maskerlaag (C) door middel van een laser
25 achteruit; indien de fotogevoelige harslaag (A) verontreinigd is met het UV-licht
absorberende materiaal, dan kan de fotogevoelige harslaag niet door middel van ultra-
violet licht worden gehard.
[0048] De bij de onderhavige uitvinding gebruikte warmtegevoelige maskerlaag (C)
dient derhalve hydrofobiciteit te bezitten. Hierin verwijst hydrofobiciteit naar on-
30 oplosbaarheid in water, dat wil zeggen dat de warmtegevoelige maskerlaag (C) karakte-
ristieken heeft waardoor geen onafhankelijk ontwikkelen in water mogelijk is. In het
geval van het gebruik van organische materialen, zoals roet, is het noodzakelijk maat-
regelen te nemen om de onoplosbaarheid in water te bevorderen. De warmtegevoelige
EUl 555 572 Bl
14
maskerlaag (C) kan bijvoorbeeld verknoopt zijn onder gebruikmaking van een hardbare
hars als een bindmiddel. Door het vergroten van het molecuulgewicht van bestanddelen
in de warmtegevoelige maskerlaag (C), kan bij deze benadering de massaoverdracht
tussen de lagen moeilijker gemaakt worden. Deze benadering heeft ook als effect dat
5 dit het oppervlak van de warmtegevoelige maskerlaag (C) met voordeel krasbestendig
maakt. De krasbestendigheid is specifiek bij voorkeur zodanig dat geen kras doordringt
door de warmtegevoelige maskerlaag (C) zelfs na vijf heen en weer uitgevoerde, met
meer voorkeur tien heen en weer uitgevoerde, schuurhandelingen over het oppervlak
van de warmtegevoelige maskerlaag (C) met een met water natgemaakte witte katoenen
10 doek waarop een belasting van 500 g (het gewicht van het schuurmiddel: 200 g; extra
gewicht: 300 g) wordt aangelegd met een in JIS L 0823 gespecificeerde inrichting II
voor het testen van de kleurbestendigheid.
[0049] Bij het gebruik van een hardbare hars als een bindmiddel is de werkwijze voor
het harden van de hars niet specifiek beperkt, doch harden met behulp van licht is
15 moeilijk of inefficiënt omdat de warmtegevoelige maskerlaag (C) ultraviolet licht ab-
sorbeert. Harden door middel van warmte verdient derhalve de voorkeur. Thermohar-
dende harsen die werken als het bindmiddel omvatten, bijvoorbeeld, combinaties van
ten minste één verbinding gekozen uit de groep bestaande uit multifunctionele isocya-
naten en multifunctionele epoxyverbindingen en ten minste één verbinding gekozen uit
20 de groep bestaande uit harsen op basis van ureum, verbindingen op basis van amine,
verbindingen op basis van amide, verbindingen met een hydroxygroep, carbonzuurver-
bindingen, en verbindingen op basis van thiol.
[0050] Multifunctionele isocyanaten dienen bij hoge temperatuur gehard te worden
aangezien het moeilijk is de reactie in een korte tijd te voltooien. Indien echter nitro-
25 cellulose gebruikt wordt als de pyrolyseerbare verbinding, dan mag dit niet gehard
worden bij 180°C of meer omdat het bij 180°C pyrolyseert. Voor verknoping wordt
derhalve bij voorkeur een combinatie toegepast die bestaat uit een multifunctionele
epoxyverbinding en ten minste één verbinding die gekozen wordt uit de groep be-
staande uit harsen op basis van ureum, verbindingen op basis van amine, verbindingen
30 op basis van amide, verbindingen met een hydroxygroep, carbonzuurverbindingen, en
verbindingen op basis van thiol.
[0051] De multifunctionele epoxyverbindingen omvatten, bijvoorbeeld, epoxyharsen
van het bisfenol-A type, epoxyharsen van het bisfenol-F type, en epoxyharsen van het
EUl 555 572 Bl
15
glycidylether-type.
[0052] De harsen op basis van ureum omvatten gebutyleerde ureumharsen, gebuty-
leerde melamineharsen, gebutyleerde benzoguanamineharsen, gebutyleerde, met
ureum-melamine gecocondenseerde harsen, aminoalkydharsen, geisobutyleerde mela-
5 mineharsen, gemethyleerde meminineharsen, hexamethoxymethylolmelamine, geme-
thyleerde benzoguanamineharsen, en gebutyleerde benzoguanamineharsen.
[0053] De verbindingen op basis van amine omvatten diethyleentriamine, triethy-
leentriamine, tetraethyleenpentamine, dietitylarrrinopropylamine, N-aminoethylpipera-
zine, meta-xyleendiamirle, meta-fenyleendiamine, diaminodifenylmethaan, diaminodi-
10 fenylsulfon, en isoforondiamine.
[0054] De verbindingen op basis van amide omvatten hardingsmiddelen op basis van
polyamide, gebruikt voor het harden van epoxyharsen en dicyaandiamide. De ver-
bindingen met een hydroxygroep omvatten fenolharsen en meerwaardige alcoholen. De
verbindingen op basis van thiol omvatten meerwaardige thiolen.
15 [0055] De voorkeur verdienende carbonzuren omvatten ftaalzuur, hexahydroftaalzuur,
tetrahydroftaalzuur, dodecynylbarnsteenuur, pyromellietzuur, chloreenzuur, ma-
leïnezuur, fumaarzuur, en de anhydriden daarvan.
[0056] Een uit een enkel bestanddeel bestaande hardhare hars kan gebruikt worden als
een alternatief voor de uit meerdere bestanddelen bestaande hardbare hars. Dergelijke
20 uit een enkel bestanddeel bestaande hardbare harsen omvatten epoxyharsen, me-
lamineharsen, urethaanharsen, verknoopbare polyesterharsen, en verknoopbare polya-
mideharsen. Deze harsen kunnen in combinatie gebruikt worden.
[0057] De thermohardende hars wordt gebruikt in een hoeveelheid van bij voorkeur 10
tot 75 gewichtsprocent, met meer voorkeur 30 tot 60 gewichtsprocent, met betrekking
25 tot de gehele samenstelling van de warmtegevoelige maskerlaag (C). Tien ge-
wichtsprocent of meer thermohardende hars verschaft een verknoopte structuur die
voldoende is om onoplosbaarheid in water te verzekeren, en 75 gewichtsprocent of
minder van de thermohardende hars maakt efficiënte laserablatie van de warmtegevoe-
lige maskerlaag (C) mogelijk.
30 [0058] Indien een pigment, zoals roet, gebruikt wordt als het infrarood licht
absorberende materiaal, dan kan een weekmaker, een oppervlakte-actief middel, of een
dispergeermiddel worden toegevoegd zodat het pigment gemakkelijk gedispergeerd
kan worden.
EU 1 555 572 Bl
16
[0059] De werkwijze voor het vormen de warmtegevoelige maskerlaag (C) is niet
specifiek beperkt. Een samenstelling van de warmtegevoelige maskerlaag, die als zo-
danig kan worden gebruikt of in een oplosmiddel kan worden opgelost, kan bijvoor-
beeld worden aangebracht door bekleden en vervolgens door middel van warmte wor-
5 den gehard, onder gebruikmaking van een organisch materiaal, zoals roet.
[0060] De door bekleden gevormde warmtegevoelige maskerlaag (C) heeft een dikte
van bij voorkeur 0,5 tot 10 urn, met meer voorkeur 1 tot 3 p.m. Een dikte van 0,5 urn of
meer kan het moeilijk maken het oppervlak \an de laag te krassen, lichtlekkage te
voorkomen, en een bepaalde mate van optische dichtheid te verschaffen. Verder is voor
10 de vorming van een dergelijke dikte geen geavanceerde aanbrengtechniek nodig. Bij
een dikte van 10 pm of minder is geen hoge energie nodig voor het losmaken van de
warmtegevoelige maskerlaag (C), en is derhalve gunstige qua kosten.
[0061] Een hechtingaanpassingslaag (B) kan zijn aangebracht tussen de fotogevoelige
harslaag (A) en de warmtegevoelige maskerlaag (C). De hechtingaanpassingslaag (B)
15 vergroot de hechting tussen de laag (A) en de laag (C) wanneer de hechting tussen de
laag (A) en de laag (C) zwak is, en reduceert de hechting tussen de laag (A) en de laag
(C) wanneer de hechting tussen deze lagen zo sterk is dat deze de laserablatieka-
rakteristieken van de laag (C) nadelig beïnvloedt. In aanvulling daarop voorkomt de
hechtingaanpassingslaag (B) zeker massaoverdracht tussen de laag (A) en de laag (C),
20 en laserablatie van de fotogevoelige harslaag (A).
[0062] Indien hechting tussen de laag (A) en de laag (C) overmatig sterk is, dan kan
elke laag of kunnen beide lagen cohesief zijn of een functionele groep bevatten die
bijdraagt aan de hechting. In dergelijke gevallen kan de hechtingaanpassingslaag (B)
aangebracht worden om de hechting tussen de lagen te reduceren. Tegen uitermate co-
25 hesieve lagen (A) en (C) kan een hars, gebruikt voor het voorkomen van cohesie, zoals
polyvinylalcohol of cellulose, gebruikt worden om dit doel te bereiken. Om te voorko-
men dat de lagen die een functionele groep bezitten bijdragen aan de hechting, kan een
hars gebruikt worden die minder interactie met de functionele groep vertoont.
[0063] Indien de hechtingaanpassingslaag (B) aangebracht is om de hechting tussen de
30 laag (A) en de laag (C) te vergroten, dan wordt de laag (B) bij voorkeur gevormd uit
een verbinding met zowel een hydrofiele groep als een hydrofobe groep, omdat de
fotogevoelige harslaag (A) hydrofiel is en de warmtegevoelige maskerlaag (C)
hydrofoob is. Voorbeelden van een dergelijke verbinding omvatten een hars die bereid
EU 1555 572 Bl
17
wordt door inbrengen van een hydroxygroep in de niet in water oplosbare hars,
gebruikt bij de warmtegevoelige maskerlaag (C); en een niet-geharde vorm van de
thermohardende hars, gebruikt bij de warmtegevoelige maskerlaag (C).
[0064] De hechtingaanpassingslaag (B) bestaat uit een in water oplosbare of in water
5 dispergeerbare hars vanuit het oogpunt van ontwikkeling in water, en bij voorkeur
worden de in de paragraaf betreffende de fotogevoelige harslaag (A) opgesomde in
water oplosbare en in water dispergeerbare harsen geschikt gebruikt. Specifiek de
voorkeur verdienen polyvinylalcohol, polyvinylacetaat, gedeeltelijk verzeept polyvi-
nylacetaat (gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol), celluloseharsen, acrylharsen, po-
10 lyamideharsen met een hydrofiele groep, zoals polyethyleenoxide, en ethy-
leen/vinylacetaatcopolymeren. Ëen additief, zoals een oppervlakte-actief middel, kan
aan deze harsen worden toegevoegd. Na afzetting van de hechtingaanpassingslaag (B)
kan het bestanddeel van de hechtingaanpassingslaag gediffundeerd worden in de foto-
gevoelige laag (A) teneinde in de laag (A) te assimileren.
15 [0065] De dikte van de hechtingaanpassingslaag (B) is bij voorkeur 15 urn of minder,
en met meer voorkeur 0,3 tot 5 p.m. Een dikte van 15 pm of minder kan voorkomen dat
belichting met ultraviolet licht de hechtingaanpassingslaag buigt of diffundeert,
waardoor scherpe reliëfpatronen kunnen worden gevormd. Een hechtingaanpas-
singslaag (B) met een dikte van 0,3 pm of meer kan gemakkelijk gevormd worden.
20 [0066] Er kan een beschermende laag (E) over de warmtegevoelige maskerlaag (C)
worden aangebracht. De laag (E) wordt gebruikt om de warmtegevoelige maskerlaag
(C) te beschermen tegen onvolkomenheden aan de buitenzijde. Bij voorkeur kan de
beschermende laag (E) vervaardigd zijn uit een polymeerfilm die van de warmtegevoe-
lige maskerlaag (C) kan worden afgepeld. Voorbeelden van de beschermende laag (E)
25 omvattende films van polyester, poly carbonaat, polyamide, fluorpolymeer, polystyreen,
polyethyleen, en polypropyleen. In plaats daarvan kan de laag (E) een met silicone be-
kleed aftrekpapier zijn.
[0067] De dikte van de beschermende laag (E) is bij voorkeur 25 tot 200 pm, en met
meer voorkeur 50 tot 150 pm. Een dikte van 25 pm of meer leidt tot gemakkelijke
30 hanteringen en kan de warmtegevoelige maskerlaag (C) beschermen tegen onvolko-
menheden aan de buitenzijde; een dikte van 200 pm of minder reduceert de kosten en
leidt tot economisch voordeel, en de laag met een dergelijke dikte kan gemakkelijk
worden afgepeld.
EU 1555 572 Bl
18
[0068] De warmtegevoelige maskerlaag (C) kan bedekt zijn met een afpelhulplaag (D).
Bij voorkeur is de laag (D) aangebracht tussen de laag (C) en de laag (E). Bij voorkeur
maakt de afpelhulplaag (D) het gemakkelijk alleen deze laag zelf, alleen de
beschermende laag (E), of zowel de beschermende laag (E) als de afpelhulplaag (D) af
5 te pellen van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper. Indien de beschermende laag
(E) direct aangebracht is pp de warmtegevoelige maskerlaag (C) met een sterke hech-
ting tussen deze lagen, kan het zijn dat de beschermende laag (E) moeilijk afgepeld kan
worden of gemakkelijk afgepeld kan worden samen met de warmtegeyoelige masker-
laag (C).
10 [0069] Bij voorkeur is de afpelhulplaag (D) vervaardigd uit een materiaal dat hecht aan
de warmtegevoelige maskerlaag (C) en hecht minder aan de beschermende laag (E) in
die mate dat de beschermende laag (E) kan worden afgepeld, of een materiaal dat
minder hecht aan de warmtegevoelige maskerlaag (C) in die mate dat het van de
warmtegevoelige maskerlaag (C) kan worden afgepeld en hecht aan de beschermende
15 laag (E). De afpelhulplaag (D) kan dan als buitenste laag achterblijven op de zijde van
de warmtegevoelige maskerlaag na het afpellen van de beschermende laag (E). Het
verdient derhalve de voorkeur dat de afpelhulplaag (D) niet cohesief is vanuit het oog-
punt van hantering, en in hoofdzaak transparant is omdat ultraviolet belichtingslicht
door deze laag gaat.
20 [0070] Voorbeelden van bestanddelen van de afpelhulplaag (D) omvatten polyvi-
nylalcoholen, polyvinylacetaten, gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcoholen, hydroxy-
alkylcelluloses, alkylcelluloses, en polyamideharsen. Bij voorkeur worden harsen ge-
bruikt die in hoofdzaak minder cohesieve bestanddelen bevatten die in water opgelost
of gedispergeerd kunnen worden. Hiervan verdienen gedeeltelijk verzeepte polyvi-
25 nylalcholen de voorkeur met een verzepingsgraad van 60 tot 99 mol%; en hydroxalkyl-
celluloses en alkylcelluloses met een alkylgroep met een koolstofgetal in het gebied
van 1 tot 5, vanuit het oogpunt van cohesievermogen.
[0071] De laag (D) kan verder een infrarood licht absorberend materiaal en/of een
pyrolyseerbaar materiaal omvatten zodat deze gemakkelijk kan worden losgemaakt.
30 Het hierboven opgesomde infrarood licht absorberende materiaal en de pyrolyseerbare
materialen kunnen worden gebruikt. De laag (D) kan eveneens een oppervlakteactief
middel bevatten om de bekledingskarakteristieken en bevochtigbaarheid te bevorderen.
. [0072] De dikte van de afpelhulplaag (D) is bij voorkeur 6 pm of minder, en met meer
EU 1555 572 Bl
19
voorkeur 0,1 tot 3 pm. Een dikte van 6 pm of minder heeft geen negatief effect op de
laserablatiekarakteristieken van de onderliggende warmtegevoelige maskerlaag (C). De
laag (D) met een dikte van 0,1 pm of meer kan gemakkelijk gevormd worden.
[0073] Indien de beschermende laag (E) van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper
5 afgepeld wordt met een snelheid van 200 mm/min, dan is de afpelsterkte per centimeter
bij voorkeur 0,5 tot 20 g/cm, en met meer voorkeur 1 tot 15 g/cm. Een afspelsterkte van
0,5 g/cm of meer maakt het mogelijk te werken zonder ongewenst afpellen van de
beschermende laag (E), en bij een afspelsterkte van 20 g/cm of minder kan de
beschermende laag (E) gemakkelijk afgepeld worden.
10 [0074] Nu zullen de de voorkeur verdienende uitvoeringsvormen worden beschreven
van de werkwijze voor het vervaardigen van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper
volgens de onderhavige uitvinding.
[0075] Bij een eerste uitvoeringsvorm wordt een drukplaatvoorloper vervaardigd met
een fotogevoelige harslaag (A), eventueel de hechtingaanpassingslaag (B), de foto-
15 gevoelige maskerlaag (C), de afpelhulplaag (D) en de beschermende laag (E) die in die
volgorde op een substraat zijn afgezet. Deze voorloper wordt vervaardigd door het la-
mineren van een wanntegevoelig maskervel op een vel van fotogevoelige hars. Het
warmtegevoelige maskervel omvat de laag (D), de laag (C), en eventueel de laag (B), in
die volgorde door middel van bekleden afgezet op de beschermende laag (E). Het vel
20 van de fotogevoelige hars omvat de op het substraat afgezette laag (A). Het lamine-
ringsproces is niet specifiek beperkt. Het warmtegevoelige maskervel kan bijvoorbeeld
gelamineerd worden op het oppervlak van de laag (A) of laag (B), die men heeft laten
opzwellen met water en/of alcohol; het fotogevoelige harsvel en het warmtegevoelige
maskervel kunnen gelamineerd worden met een viskeuze vloeistof met een samenstel-
25 ling die hetzelfde is als of soortgelijk is aan de laag (A), geïnjecteerd tussen de twee
vellen; of de twee vellen kunnen bij kamertemperatuur of onder verwarming worden
geperst met een drukmachine.
[0076] Bij een tweede uitvoeringsvorm wordt een drukplaatvoorloper vervaardigd met
de fotogevoelige harslaag (A), eventueel de hechtingaanpassingslaag (B), en de
30 warmtegevoelige maskerlaag (C), in die volgorde op een substraat afgezet. Eerst wordt,
indien de laag (B) is aangebracht, een oplossing die het bestanddeel van de laag (B)
bevat, aangebracht op het oppervlak van het fotogevoelige harsvel dat vervaardigd is
door afzetten van de fotogevoelige harslaag (A) op een substraat door middel van de bij
EU 1555 572 Bl
20
de eerste uitvoeringsvorm beschreven werkwijze, gevolgd door drogen. Dan wordt de
resulterende laag bekleed met een vloeistof waarin het bestanddeel van de warmtege-
voelige maskerlaag (C) is opgelost of gedispergeerd, en wordt de vloeistof verwarmd
om te harden.
5 [0077] Als alternatief worden de laag (C) en eventueel de laag (B) in die volgorde
afgezet op een aftrekpapier door dezelfde bekledingsmethode voor het vervaardigen
van een wanntegevoelig maskervel, dan wordt het fotogevoelige harsvel samen met de
laag (A) die is afgezet op een substraat, zpdanig op het warmtegevoelige maskervel
gelamineerd dat de laag (A) in contact komt met de laag (B) pf laag (C), en tenslotte
10 wordt het aftrekpapier verwijderd. Het verwijderde aftrekpapier kan met voordeel voor
hetzelfde doel hergebruikt worden.
[0078] Bij een derde uitvoeringsvorm wordt een drukplaatvoorloper vervaardigd met
de fotogevoelige harslaag (A), eventueel de hechtingaanpassingslaag (B), de
warmtegevoelige maskerlaag (C), en de afpelhulplaag (D) in die volgorde afgezet op
15 een substraat. Deze drukplaatvoorloper kan verkregen worden door het afpellen van de
beschermende laag (E) van de drukplaatvoorloper die bij de eerste uitvoeringsvorm is
vervaardigd. In dit geval kan de afgepelde beschermende laag (E) met voordeel herge-
bruikt worden.
[0079] Bij een vierde uitvoeringsvorm wordt een drukplaatvoorloper vervaardigd met
20 de fotogevoelige harslaag (A), eventueel de hechtingaanpassingslaag (B), de
warmtegevoelige maskerlaag (C), en de beschermende laag (E) in die volgorde afgezet
op een substraat. Deze drukplaatvoorloper wordt vervaardigd door het lamineren van
een wanntegevoelig maskervel inclusief de laag (C) en de laag (B) die door middel van
bekleden in die volgorde afgezet zijn op de beschermende laag (E), op een fotogevoelig
25 harsvel inclusief de op een substraat afgezette laag (A).
[0080] De uit fotogevoelige hars bestaande drukplaatvoorloper, vervaardigd door
middel van de boven beschreven werkwijze, resulteert via het volgende proces in een
hoogdrukplaat.
[0081] De werkwijze voor het vervaardigen van een hoogdrukplaat volgens de
30 onderhavige uitvinding omvat de stappen van: (1) het vervaardigen van de hierboven
beschreven fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper; (2) het vormen van een beeldmasker
(C) door beeld voor beeld bestralen van de warmtegevoelige maskerlaag (C) met een
infrarood laser; (3) belichting door het resulterende beeldmasker (C) heen met ultra-
EU 1555 572 Bl
21
violet licht voor het vormen van een latent beeld op de fotogevoelige harslaag (A); en
(4) het ontwikkelen met een op water gebaseerde vloeistof voor het verwijderen van het
beeldmasker (C) en de niet met ultraviolet licht belichte gedeelten van de fotogevoe-
lige harslaag (A) en het vervolgens verwijderen van de ontwikkelaar door middel van
5 drogen.
[0082] Indien de voorloper de laag (E) of de laag (D) en laag (E) omvat, dan wordt het
beeldmasker (C) bij voorkeur gevormd door beeld voor beeld bestralen van de
warmtegevoelige maskerlaag (C) met infrarpod laserlicht, na verwijdering van ten min-
ste de laag (E). Met meer voorkeur wordt de warmtegevoelige maskerlaag (C) beeld
10 voor beeld bestraald met infrarood laserlicht voor het vormen van het beeldmasker (C)
na het verwijderen van alleen dé laag (E) van de voorloper inclusief de laag (D) en de
laag (E).
[0083] Bij de stap (2) waarbij een beeldmasker (C) gevormd wordt door beeld voor
beeld bestralen van de warmtegevoelige maskerlaag (C) met een infrarood laserlicht,
15 wordt infrarood laserlicht af-/aangeschakeld volgens beeldgegevens, en wordt gestraald
op de warmtegevoelige maskerlaag (C) onder het scannen van de maskerlaag. De met
het infrarood laserlicht bestraalde warmtegevoelige maskerlaag (C) genereert warmte
als gevolg van de werking van het infrarood licht absorberende materiaal. De warmte
ontleedt de pyrolyseerbare verbinding voor het verwijderen van de warmtegevoelige
20 maskerlaag (C). Op deze wijze wordt laserablatie uitgevoerd. De optische dichtheid in
het gebied dat wordt onderworpen aan de laserablatie wordt in hoge mate gereduceerd
en de zone wordt in hoofdzaak transparant voor ultraviolet licht. Door het selectief
uitvoeren van laserablatie op de warmtegevoelige maskerlaag (C) overeenkomstig
beeldgegevens, wordt het beeldmaker (C) gevormd dat kan zorgen voor een latent
25 beeld op de fotogevoelige harslaag (A).
[0084] Voor de bestraling van een infraroodlaser wordt een laser gebruikt met een
oscillatiegolflengte in het gebied van 750 tot 3000 nm. Voorbeelden van dergelijke la-
sers omvatten vaste lasers, zoals robijnlasers, alexandrietlasers, perovskietlasers, Nd-
YAG-lasers, en smaragdglaslasers; halfgeleiderlasers, zoals InGaAsP-, InGaAs-, en
30 GaAsAl-lasers; en kleurstoflasers, zoals rhodaminelasers. Er kan ook een vezellaser
worden gebruikt die deze lichtbron versterkt. Hiervan verdienen halfgeleiderlasers de
voorkeur omdat zij kleiner geworden zijn tijdens de recente ontwikkelingen in de tech-
nologie en economisch gezien voordeliger zijn dan andere laserbronnen. Verder ver-
EU 1555 572 Bl
22
dienen Nd-YAG-lasers, die vaak gebruikt worden voor dentale en medische zorg, de
voorkeur vanwege hun hoge vermogen en economische voordeel.
[0085] Bij de stap (3) waarbij door het resulterende beeldmasker (C) heen belicht
wordt met ultraviolet licht voor het vormen van een latent beeld op de fotogevoelige
5 harslaag (A) wordt het gehele oppervlak van de fotogevoelige harsdrukplaat dat is be-
straald met laserlicht, belicht met ultraviolet licht, bij voorkeur met een golflengte van
300 tot 400 nm, door het beeldmasker (C) heen waarin met de laser een beeldpatroon
gevormd is, en op deze wijze worden de gedeelten van de fotogevoelige harslaag (A)
die liggen onder de zones die onderworpen zijn aan laserablatie van het beeldmasker
10 (C) selectief gehard.
[0086] Aangezien ultraviolet licht de fotogevoelige harsdrukplaat tijdens de belichting
zelfs aan de zijden binnengaat, verdient het de voorkeur dat een afdekking die geen
ultraviolet licht doorlaat, over de zij oppervlakken wordt aangebracht. Lichtbronnen
waarmee belicht kan worden met licht met een golflengte van 300 tot 400 nm omvatten
15 hogedrukkwiklampen, super-hogedrukkwiklampen, metaalhalogenidelampen, xenon-
lampen, koolbooglampen, en chemische lampen. De met ultraviolet licht belichte ge-
deelten van de fotogevoelige harslaag (A) worden onoplosbaar of niet-dispergeerbaar
in een ontwikkelaar.
[0087] Bij de stap (4) waarbij ontwikkeld wordt met een op water gebaseerde vloeistof
20 om het beeldmasker (C) en de niet met ultraviolet licht belichte gedeelten van de
fotogevoelige harslaag (A) te verwijderen kan, bijvoorbeeld, uitgevoerd worden door
het ontwikkelen van de fotogevoelige harslaag (A) met een borstelwasser of een
sproeiwasser waarbij een ontwikkelaar op basis van water gebruikt wordt die de foto-
gevoelige harslaag (A) kan oplossen of dispergeren. Als gevolg daarvan blijven de ge-
25 deelten over die zijn belicht met ultraviolet licht en wordt een hoogdrukplaat met een
reliëfpatroon verkregen.
[0088] Indien de afpelhulplaag (D) aanwezig blijft, dan wordt deze laag door middel
van ontwikkelen bij voorkeur verwijderd in de stap van (4).
[0089] De op water gebaseerde ontwikkelaar bevat kraanwater, gedestilleerd water, of
30 water als het hoofdbestanddeel, en eventueel een alcohol met een koolstofgetal van 1
tot 6. Het primaire bestanddeel betekent dat het gehalte daarvan 70 gewichtsprocent of
meer bedraagt. De op water gebaseerde ontwikkelaar kan verder de bestanddelen
bevatten van de fotogevoelige harslaag (A), de hechtingaanpassingslaag (B), de
EU 1 555 572 Bl
23
warmtegevoelige maskerlaag (C), of de afpelhulplaag (D).
[0090] Het beeldmasker (C) is onoplosbaar in water om de krasbestendigheid te
bevorderen, en is derhalve onoplosbaar in de ontwikkelaar die water en alcohol bevat.
Het beeldmasker (C) kan echter fysiek verwijderd worden door schuren met een harde
5 borstel, bijvoorbeeld een PBT (polybutyleentereftalaat)-borstel omdat het een dunne
film is, hetgeen voordelig is vanuit het kostenoogpunt. In dit geval kan het beeldmasker
(C) doeltreffend verwijderd worden door gebruikmaking van ontwikkel water met een
relatief hoge temperatuur van 30°C tot 70°Cy
[0091] Dan kan indien- gewenst een extra behandeling worden toegepast. De aan het
10 oppervlak van de plaat hechtende ontwikkelaar wordt bijvoorbeeld gedroogd, de
fotogevoelige harsplaat wordt aanvullend met licht belicht, of de cohesie van de plaat
wordt opgeheven.
[0092] De met de werkwijze volgens de onderhavige uitvinding vervaardigde
hoogdrukplaat kan worden opgenomen in een drukpers en zo op geschikte wijze ge-
15 bruikt worden.
Voorbeelden
[0093] De onderhavige uitvinding zal verder in detail beschreven worden onder
20 verwijzing naar de Voorbeelden
<Synthese van In Water Oplosbaar Polyamidehars 1>
[0094] Acrylonitril werd geaddeerd aan beide einden van een polyethyleenglycol met
25 een aantalgemiddeld molecuulgewicht van 600, gevolgd door waterstofreductie voor
het verkrijgen van a,co-diaminopolyoxyethyleen. 60 Gewichtsdelen van een equimolair
zout van a,cû-diaminopolyoxyethyleen en adipinezuur, 20 gewichtsdelen e-caprolactam
en 20 gewichtsdelen van een equimolair zout van hexamethyleendiamine en
adipinezuur werden gesmolten en gepolymeriseerd voor het verkrijgen van het in water
30 oplosbare polyamidehars 1 met een relatieve viscositeit (viscositeit van 1 g polymeer
opgelost in 100 ml chloralhydraat, gemeten bij 25°C) van 2,50.
EUl 555 572 Bl
24
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 1 voor Fotogevoelige Harslaag
(Al)>
[0095] Een driehalskolf voorzien van een roerblad en een condensatiebuis werd
5 geladen met: (a) 50 gewichtsdelen van het in water oplosbare polyamidehars 1 ; (b) 34
gewichtsdelen water; en (c) 22 gewichtsdelen ethanol. Het mengsel werd gedurende 2
uur bij 90°C onder roeren verwarmd voor het oplossen van het in water oplosbare poly-
amidehars 1. Nadat de oplossing was afgebeeld tot 70°C werden (d) 1,5 gewichtsdelen
glycidymmethacrylaat ("Blemmer" G, geproduceerd door NOF Corporation) toege-
10 voegd aan de oplossing, gevolgd door 30 minuten roeren. Verder werden (e) 8 ge-
wichtsdelen glyceroldimethacrylaat ("Blemmer" GMR, geproduceerd door NOF Cor-
poration), (f) 24 gewichtsdelen 2-acroyloxyethyl-2-hydroxyethylftalaat (HOA-MPE,
geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.) (g) 5 gewichtsdelen polyethyleengly-
col (PEG #400, geproduceerd door Lion Corporation), (h) 5 gewichtsdelen N,N,N',N'-
15 tetra(2-hydroxy-3-methacroyloxypropyl)-m-xyleendiamine, (i) 4 gewichtsdelen tetra-
methylolmethaantriacrylaat ("NK Ester" A-TMM-3, geproduceerd door Shinnakamura
Chemical Industrial Co., Ltd.), (j) 1,3 gewichtsdelen benzyldimethylketaal ("Irgacure"
651, geproduceerd door Ciba-Geigy) en (k) 0,01 gewichtsdeel hydrochinonmonome-
thylether toegevoegd. Het mengsel werd 30 minuten geroerd voor het verkrijgen van de
20 bekledingsvloeistofsamenstelling 1 voor een fotogevoelige harslaag (Ai).
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 2 voor Hechtingaanpassingslaag
(Bl)>
25 [0096] Het hierboven gesynthetiseerde in water oplosbare polyamidehars 1 werd
opgelost in een gemengd oplosmiddel van water-ethanol = 50-50 (gewichtsverhouding)
bij 80°C zodat het vaste-stofgehalte 15 gewichtsprocent bedroeg. Op deze wijze werd
de bekledingsvloeistofsamenstelling 2 voor een hechtingaanpassingslaag (Bl) verkre-
gen.
30
EUl 555 572 Bl
25
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 3 voor Warmtegevoelige Maskerlaag
(Cl)>
[0097] Een mengsel van 25 gewichtsdelen "MA 100" (roet, geproduceerd door Mit-
5 subishi Chemical Corporation), 26 gewichtsdelen nitrokatoen "SL-1" (nitrocellulose,
geproduceerd door Asahi Chemical Industry Co., Ltd.), 6 gewichtsdelen weekmaker
ATBC (tributylacetylcitraat, geproduceerd door J-PLUS Co., Ltd.), en 30 gewichtsde-
len "PM acetaat" (propyleenglycolmonomefhyletheracetaat, geproduceerd door Osaka
Printing Ink MFG. Co., Ltd.) werd vooraf bereid en vervolgens gekneed en gedisper-
10 geerd met een driewals voor het bereiden van een roetdispersievloeistof. Aan de disper-
sievloeistof werden 17 gewichtsdelen "Araldite" 6071 (epoxyhars, geproduceerd door
Asahi-Ciba Limited), 24 gewichtsdelen "U-VAN" 2061 (melaminehars, geproduceerd
door Mitsui Chemicals, Inc.), (g) 1 gewichtsdeel "Light Ester" P-1 M (fosfaatmono-
meer, geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.) en (h) 600 gewichtsdelen me-
15 thylisobutylketon toegevoegd, en het mengsel werd 30 minuten geroerd. Vervolgens
werd (d) "PM acetaat" aan het mengsel toegevoegd zodat het vaste-stofgehalte 16 ge-
wichtsdelen bedroeg. Op deze wijze werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 3 voor
een warmtegevoelige maskerlaag (Cl) verkregen.
20 <Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 4 voor Afpelhulplaag (Dl)>
[0098] In een gemengd oplosmiddel van water/ethanol = 40/60 (gewichtsverhouding)
werden bij 80°C 100 gewichtsdelen polyvinylalcohol met een verzepingsgraad van 91%
tot 94% ("GOHSENOL" AL-06, geproduceerd door Nippon Synthetic Chemical
25 Industry Co., Ltd.) opgelost zodat het vaste-stofgehalte 10 gewichtsprocent bedroeg.
Op deze wijze werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 4 voor een afpelhulp-laag
(Dl) verkregen.
30
i>
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 5 voor Afpelhulplaag (D2)
[0099] In een gemengd oplosmiddel van water/ethanol = 40/60 (gewichtsverhouding)
werden bij 80°C 100 gewichtsdelen polyvinylalcohol met een verzepingsgraad van 91%
to 94% ("GOHSENOL" AL-06, geproduceerd door Nippon Synthetic Chemical
EU 1555 572 Bl
26
Industry Co., Ltd.) en 2 gewichtsdelen van een infrarood absorptiemiddel ("PROJET"
825, geproduceerd door Avecia KK) opgelost zodat het gehalte aan vaste stof 10
gewichtsprocent bedroeg. Op deze wijze werd bekledingsvloeistofsamenstelling 5 voor
een afpelhulplaag (D2) verkregen.
5
<Bereiding van Fotogevoelig Harsvel 1>
[0100] De bekledingsvloeistofsamenstelling 1 voor de fotogevoelige harslaag (Al)
werd uitgespreid pp een substraat van een 250 pm dikke polyesterfilm "Lumirror" S10
10 (geproduceerd door Toray Industries Inc.) waarop vooraf een op polyester gebaseerd
kleefiniddel was aangebracht, en werd gedurende 2 uur bij 60°C gedroogd voor het
verkrijgen van het fotogevoelige harsvel 1 met een totale dikte van 950 pm, inclusief
de dikte van het substraat. De dikte van het fotogevoelige harsvel 1 werd verkregen
door het op het substraat aanbrengen van een afstandsstuk met een vooraf bepaalde
15 dikte en door het met een metalen rei afschrapen van de bekledingsvloeistofsamenstel-
ling 1 van het gedeelte dat uit het afstandsstuk steekt.
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 1>
20 [0101] Een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumirror" S10 (geproduceerd door Toray
Industries Inc.) werd gebruikt als de laag (E). De bekledingsvloeistofsamenstelling 4
werd op de polyesterfilm aangebracht met een staafbekleder zodat de dikte na drogen
0,5 pm bedroeg, en 30 seconden bij 120°C gedroogd voor het verkrijgen van een com-
posiet van een afpelhulplaag (Dl)/beschermende laag (E).
25 [0102] Vervolgens werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 3 op de afpelhulp-laag
(Dl) van het resulterende composiet aangebracht met een staafbekleder zodat na
drogen de dikte 2 pm bedroeg, en 20 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen
van het warmtegevoelige maskerelement 1, dat een composiet is van de warmtegevoe-
lige maskerlaag (Cl)/afpelhulplaag (Dl)/beschermende laag (E). De optische dichtheid
30 (orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige maskerelement 1
bedroeg 3,3.
EU 1 555 572 Bl
27
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 2>
[0103] Bekledingsvloeistofsamenstelling 5 werd met een staafbekleder aangebracht op
een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumirror" S10 (geproduceerd door Toray Industries
5 Inc.) zodat de dikte na drogen 0,5 pm bedroeg, en 30 seconden bij 120°C gedroogd
voor het verkrijgen van een composiet van een afpelhulplaag (D2)/beschermende laag
(E).
[0104] Vervolgens werd de bekledingsvloeïstofsamenstelling 3 met een staafbekleder
aangebracht op de afpelhulplaag (D2) van het resulterende composiet zodat na drogen
10 de dikte 2 pm bedroeg, en 20 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen van het
warmtegevoelige maskerelement 2, dat een composiet is van de warmtegevoelige
maskerlaag (Cl)/afpelhulplaag (D2)/beschermende laag (E). De optische dichtheid
(orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige maskerelement 2
bedroeg 3,5.
15
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 3>
[0105] Bekledingsvloeistofsamenstelling 5 werd met een staafbekleder aangebracht op
een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumuror" S10 (geproduceerd door Toray Industries
20 Inc.) zodat de dikte na drogen 1 pm bedroeg, en 30 seconden bij 120°C gedroogd voor
het verkrijgen van een composiet van een afpelhulplaag (D2)/beschermende laag (E).
[0106] Vervolgens werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 3 met een staafbekleder
aangebracht op de afpelhulplaag (D2) van het resulterende composiet zodat na drogen
de dikte 2 pm bedroeg, en 20 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen van een
25 composiet van de warmtegevoelige maskerlaag (Cl)/afpelhulplaag (D2)/beschermende
laag (E).
[0107] Verder werd bekledingsvloeistofsamenstelling 2 met een staafbekleder aan-
gebracht op de warmtegevoelige laag (Cl) zodat na drogen de dikte 1 pm bedroeg, en
30 seconden gedroogd bij 120°C voor het verkrijgen van het warmtegevoelige mas-
30 kerelement 3, dat een composiet is van de hechtingaanpassingslaag (Bl)/warmtege-
voelige maskerlaag (Cl)/afpelhulplaag (D2)/beschermende laag (E). De optische
dichtheid (orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige
EU 1 555 572 Bl
28
maskerelement 3 bedroeg 3,5.
VOORBEELD 1
5 [0108] Een gemengd oplosmiddel van water/ethanol = 70/30 gewichtsprocent werd
aangebracht op de fotogevoelige harslaag (Al) van het hierboven beschreven fotoge-
voelige harsvel 1 met een staafbekleder #20 voor het laten opzwellen van de fotoge-
voelige harslaag (Al). Vervolgens werd de fotogevoelige harslaag (Al) met behulp van
een wals zodanig met een wanntegevoelig maskerelement 1 samengeperst dat de
10 warmtegevoelige makerlaag (Cl) van het warmtegevoelige maskerelement 1 in contact
kwam met de warmtegevoelige harslaag (Al), en men liet dit gedurende 1 week staan.
Op deze wijze werd de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 1 voltooid die de ge-
laagde structuur had van substraat/fotogevoelige harslaag (Al)/warmtegevoelige mas-
kerlaag (Cl)/afpelhulplaag (Dl)/beschermende laag (E), in die volgorde afgezet.
15 [0109] Na het afpellen van de beschermende laag (E) werd de fotogevoelige hars-
drukplaatvoorloper bevestigd op een plaatzetter "CDI SPARK" (vervaardigd door
Esko-Graphics NV), van het type met uitwendige trommel, uitgerust met een laserlicht
emitterende vezel in het infraroodgebied zodat het substraat in contact kwam met de
trommel. Er werd een testpatroon getekend met een resolutie van 156 lijnen per inch
20 (met inbegrip van zones met een vast patroon, 1% tot 99% halftint, 1 tot 8 punts
scherpe lijnen, en 1 tot 8 punts zones met omgekeerd patroon), zodat de warmtegevoe-
lige maskerlaag (Cl) tot een beeldmasker (Cl') gevormd werd. De warmtegevoelige
maskerlaag (Cl) in het vaste patroon werd in hoofdzaak losgemaakt met laserlicht on-
der de instellingen van een laservermogen van 6 W en een rotatiesnelheid van de
25 trommel van 300 opm, zonder negatieve effecten van overmatig laservermogen, zoals
laserexcavatie van het oppervlak van de onderliggende fotogevoelige harslaag (Al) en
vervorming van het getekende patroon. In aanvulling daarop was de warmtegevoelige
maskerlaag (Cl) als gevolg van zijn verknoopte structuur bestand tegen onvolkomen-
heden aan de buitenzijde. Hierdoor was het gemakkelijk de drukplaatvoorloper te han-
30 teren bij het bevestigen op de plaatzetter. Voor evaluatie van de krasbestendigheid van
de warmtegevoelige maskerlaag (Cl) werd het onbeschermde oppervlak van de druk-
plaatvoorloper 1, waarvan de beschermende laag (E) afgepeld was, geschuurd met een
met water bevochtigde witte katoenen doek waarop een belasting van 500 g (het ge-
EU 1 555 572 Bl
29
wicht van het schuurmiddel: 200 g; extra gewicht: 300 g) werd aangelegd met een in-
richting voor het door middel van schuren testen van de kleurbestendigheid (in
JIS L 0823 gespecificeerde tester II, vervaardigd door Daiei Kagaku Seiki MFG. Co,
Ltd.). Zelfs na 10 heen en weer uitgevoerde schuurhandelingen over het oppervlak
5 drong geen enkele kras door de zwarte warmtegevoelige maskerlaag (Cl).
[0110] Vervolgens werd het gehele oppervlak van de plaat door het beeldmasker (Cl1)
heen belicht met licht (belichting: 900 mJ/cm2) van een kwiklamp met super-hoge druk
(vervaardigd door ORC MFG. Co., Ltd.) met een lichtbron in het ultraviolette gebied.
Vervolgens werd gedurende 1,5 minuten met kraanwater van 25°C ontwikkeld met een
10 ontwikkelmachine FTW430II (vervaardigd door Toray Industries Inc.) van het
borsteltype, voorzien van een PTB (polybutyleentereftalaat)-borstel. Als gevolg daar-
van werden de afpelhulplaag (Dl), het beeldmasker (Cl1), en het niet met ultraviolet
licht belichte deel van de fotogevoelige harslaag (Al), die bedekt was met het beeld-
masker, selectief ontwikkeld voor het vormen van een reliëf dat een getrouw negatiefis
15 van het beeldmasker (CT). Hoewel de warmtegevoelige maskerlaag (Cl) zelf ver-
knoopt en hydrofoob was en derhalve onoplosbaar was in water, kon de laag (Cl) ten-
slotte ontwikkeld worden door schuren met een harde borstel omdat de dikte op slechts
2 pm was ingesteld.
[0111] Het resulterende reliëf bestond uit slechts de fotogevoelige harslaag (Al), die
20 geen zwart beeldmasker (Cl1) bevatte, en had een scherpe vorm. Dit is zo omdat de
warmtegevoelige maskerlaag (Cl) verknoopt is en niet in water oplosbaar is. De
warmtegevoelige maskerlaag (Cl) en de hydrofiele fotogevoelige harslaag (Al) wor-
den afzonderlijk gehouden zonder ze met elkaar te vermengen.
25 VOORBEELD 2
[0112] De fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 2, met de gelaagde structuur van
substraat/fotogevoelige harslaag (Al)/warmtegevoelige maskerlaag (Cl)/afpelhulplaag
(D2)/beschermende laag (E), in die volgorde afgezet, werd op dezelfde wijze vervaar-
30 digd als in Voorbeeld 1 behoudens dat het in Voorbeeld 1 gebruikte warmtegevoelige
maskerelement vervangen werd door het warmtegevoelige maskerelement 2. Het afte-
kenen werd uitgevoerd bij een vermogen van 6 W en een rotatiesnelheid van de trom-
mel van 500 opm op dezelfde wijze als in Voorbeeld 1. Als gevolg daarvan werd de
EUl 555 572 Bl
30
warmtegevoelige maskerlaag (Cl) in de zone van het vaste patroon in hoofdzaak los-
gemaakt met laserlicht, zonder negatievee effecten van overmatig laservermogen, zoals
laserexcavatie van het oppervlak van de onderliggende fotogevoelige harslaag (Al) en
vervorming van het getekende patroon. Omdat de afpelhulplaag (D2) die ligt bovenop
5 de warmtegevoelige maskerlaag (Cl) een infrarood absorptiemiddel bevatte, kon de
afpelhulplaag (D2) gemakkelijk met laserlicht worden losgemaakt. Het wordt dien-
overeenkomstig mogelijk een patroonbeeld te tekenen bij een hogere rotatiesnelheid
van de trommel dan in Voorbeeld 1 (dat wil zeggen met een lager laservermogen per
plaats). Eveneens werd een belichting met een super-hogedruklamp en ontwikkeling
10 met een ontwikkelmachine van het borsteltype op dezelfde wijze uitgevoerd als in
Voorbeeld 1, en op deze wijze werd een scherp reliëf gevormd.
VOORBEELD 3
15 [0113] Een gemengd oplosmiddel van water/ethanol = 70/30 gewichtsprocent werd
aangebracht op de fotogevoelige harslaag (Al) van het hierboven beschreven fotoge-
voelige harsvel 1 met een staafbekleder #20 om de fotogevoelige harslaag (Al) te laten
zwellen. Vervolgens werd het fotogevoelige hars (Al) met een wals zodanig samenge-
perst met het warmtegevoelige maskerelement 3 dat de hechtingaanpassingslaag (Bl)
20 van het warmtegevoelige maskerelement 3 in contact kwam met de fotogevoelige
harslaag (Al), en men liet dit 1 week staan. Op deze wijze werd de fotogevoelige hars-
drukplaatvoorloper 3 voltooid die de gelaagde structuur had van substraat/fotogevoe-
lige harslaag (Al)/hechtingaanpassingslaag (Bl)/warmtegevoelige maskerlaag
(Cl)/afpelhulplaag (D2)/beschermende laag (E), in die volgorde afgezet. Aftekenen bij
25 een vermogen van 6 W en een rotatiesnelheid van de trommel van 500 opm kon voor
de resulterende drukplaatvoorloper op dezelfde wijze als in Voorbeeld 2 worden uitge-
voerd.
[0114] Belichting met een lamp met super-hoge druk en ontwikkelen met een ont-
wikkelmachine van het borsteltype werden op dezelfde wijze uitgevoerd als in Voor-
30 beeld 1. Aangezien de hechtingaanpassingslaag (Bl) bestond uit de in water oplosbare
polyamidehars zoals gebruikt in de fotogevoelige harslaag (Al) werd de hechtingaan-
passingslaag (Bl) samengebracht met de fotogevoelige harslaag (Al). De hydrofiele
hechtingaanpassingslaag (Bl) en de niet in water oplosbare warmtegevoelige masker-
EU1 555 572 Bl
31
laag (Cl) werden niet met elkaar gemengd, en zodoende had het reliëf een scherpe
vorm.
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 6 voor Hechtingaanpassingslaag
5 (B2)>
[0115] (a) 2 Gewichtsdelen gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol ("Mowiol" 4-80,
geproduceerd door Hoechst) werden opgelost in (a) 40 gewichtsdelen water voor het
verkrijgen van de bekledingsvloeistofsamenstelling 6 voor een hechtingaanpassingslaag
10 (B2).
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 7 voor Warmtegevoelige Maskerlaag
(C2)>
15 [0116] (a) 2 Gewichtsdelen roet ("Printex" U, geproduceerd door Degussa), (b) 8
gewichtsdelen gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol (KP205, geproduceerd door Ku-
raray Co., Ltd.), (c) 20 gewichtsdelen n-propanol, en (d) 80 gewichtsdelen water wer-
den gemengd en gedurende 2 uur behandeld in een "Ultra Tunax" dispergeerinrichting
voor het verkrijgen van de bekledingsvloeistofsamenstelling 7 voor een warmtegevoe-
20 lige maskerlaag (C2).
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 4>
[0117] Een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumirror" S10 (geproduceerd door Toray
25 Industries Inc.) werd gebruikt als de laag (E). De bekledingsvloeistofsamenstelling 7
werd met een staafbekleder aangebracht op de polysterfilm zodat de dikte na drogen
6 pm was, en 30 seconden gedroogd bij 120°C voor het verkrijgen van een composiet
van een warmtegevoelige maskerlaag (C2)/beschermende laag (E).
[0118] De bekledingsvloeistofsamenstelling 6 werd met een staafbekleder aangebracht
30 op de warmtegevoelige maskerlaag (C2) van de resulterende composiet zodat de dikte
na drogen 5 pm bedroeg, en 20 seconden gedroogd bij 120°C voor het verkrijgen van
het warmtegevoelige maskerelement 4, dat een composiet is van een hechtingaan-
passingslaag (B2)/warmtegevoelige maskerlaag (C2)/beschermende laag (E). De opti-
EU 1555 572 Bl
32
sehe dichtheid (orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige
maskerelement 4 was 3,4.
VERGELIJKEND VOORBEELD 1
5
[0119] Een gemengd oplosmiddel van water/ethanol = 70/30 gewichtsprocent werd
aangebracht op de fotogevoelige harslaag. (Al) van het hierboven beschreven fotoge-
voelige harsvel 1 met een staafbekleder #2$ voor het laten opzwellen van de fotoge-
voelige harslaag (Al). Vervolgens werd de fotogevoelige hars (Al) met een wals sa-
10 mengeperst met het warmtegevoelige maskerelement 4 zodat de hechtingaanpas-
singslaag (B2) van het warmtegevoelige maskercomposiet 4 in contact kwam met de
fotogevoelige hars (Al), en men liet dit 1 week staan. Op deze wijze werd de fotoge-
voelige harsdrukplaatvoorloper 4 voltooid die een gelaagde structuur had van sub-
straat/fotogevoelige harslaag (Al)/hechtingaanpassingslaag (B2)/warmtegevoelige
15 maskerlaag (C2)/beschermende laag (E), in die volgorde afgezet. Het aftekenen met
een plaatzetter, het belichten met een super-hoge druklamp en ontwikkelen met een
ontwikkelmachine van het borsteltype werden op dezelfde wijze als in Voorbeeld 1
uitgevoerd. Omdat de warmtegevoelige maskerlaag (C2) gevormd was uit roet dat ge-
dispergeerd was in een in water oplosbare, gedeeltelijk verzeepte polyvinylalcohol, was
20 de filmsterkte van de warmtegevoelige maskerlaag zwak en was gevoelig voor krassen
terwijl de drukplaat werd gehanteerd. De krasbestendigheid van de warmtegevoelige
maskerlaag (C2) werd op dezelfde wijze als in Voorbeeld 1 geëvalueerd. Als gevolg
daarvan veroorzaakte slechts één heen en weer uitgevoerde schuurbewerking een door-
dringende kras. Wanneer zich in de warmtegevoelige maskerlaag (C2) eenmaal een
25 kras bevindt, dan kan het gekraste gedeelte ultraviolet licht niet blokkeren, zodat het
gedeelte waar harding voorkomen dient te worden, zal harden. Er werd aldus een on-
gewenst reliëf gevormd, dat niet geschikt was voor de drukplaat. Aangezien de warm-
tegevoelige maskerlaag (C2) in water wordt ontwikkeld, werd een in water oplosbare
hars gebruikt als een bindmiddel. Als gevolg daarvan bleek dat de hechtingaanpas-
30 singslaag (B2) en de fotogevoelige harslaag (Al), die eveneens in water oplosbaar wa-
ren, verontreinigd waren met het bestanddeel van de warmtegevoelige maskerlaag
(C2). De verontreiniging van de fotogevoelige harslaag (Al) met het bestanddeel van
de warmtegevoelige maskerlaag (C2) leidde gemakkelijk tot het niet uitharden van de
EU 1 555 572 Bl
33
verontreinigde gedeelten, hetgeen resulteert in een onbevredigend reliëf.
<Synthese van In Water Oplosbaar Polyamidehars 2>
5 [0120] Een mengsel van 10 gewichtsdelen e-caprolactam, 90 gewichtsdelen van een
nylonzout van N-(2-aminoethyl)piperazine en adipinezuur, en 100 gewichtsdelen water
werden in een roestvrij stalen autoclaaf geplaatst. Nadat de autoclaaf was gespoeld met
stikstofgas werd het mengsel. gedurende I^xlut verhit op 180°C, en vervolgens werd
water uit het mengsel verwijderd voor het verkrijgen van de in water oplosbare
10 polyamidehars 2.
<Synthese van Gemodificeerde Polyvinylalcohol 1>
[0121] Een kolf die voorzien was van een condensatorbuis werd geladen met 50
15 gewichtsdelen van een gedeeltelijk verzeepte polyvinylalchol "GOHSENOL" KL-05
(mate van verzeping: 78,5% tot 82,0%, geproduceerd door Nippon Synthetic Chemical
Industry Co., Ltd.), 2 gewichtsdelen barnsteenzuuranhydride, en 10 gewichtsdelen
aceton, en gedurende 6 uur bij 60°C verwarmd. Vervolgens werd de condensatorbuis
verwijderd voor het verdampen van de aceton. Vervolgens werd tweemaal een zuive-
20 ring uitgevoerd door het elueren van het niet-gereageerde barnsteenzuuranhydride met
100 gewichtsdelen aceton. Het product werd gedurende 5 uur bij 60°C gedroogd onder
verminderde druk voor het verkrijgen van de gemodificeerde polyvinylalcohol 1 die
een esterbinding van bamsteenzuur en een hydroxygroep heeft.
25 <Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 8 voor de Fotogevoelige Harslaag
(A2)>
[0122] Een driehalskolf die voorzien was van een roerblad en een condensatorbuis
werd geladen met: 7,5 gewichtsdelen van de in water oplosbare polyamidehars 2, 47,5
30 gewichtsdelen gemodificeerde polyvinylalcohol 1,11 gewichtsdelen diethyleenglycol,
38 gewichtsdelen water, en 44 gewichtsdelen ethanol. Het mengsel werd gedurende 30
minuten onder roeren verwarmd bij 110°C en vervolgens gedurende 90 minuten bij
70°C voor het oplossen van het polymeer. Vervolgens werden 3 gewichtsdelen "Blem-
EU 1555 572 Bl
34
mer" G (glycidylmethacrylaat, geproduceerd door NOF Corporation) toegevoegd en
werd het mengsel gedurende 30 minuten bij 70°C geroerd. Verder werden 12 gewichts-
delen "Blemmer" GMR (methacrylzuuradduct van glycidylmethacrylaat, geproduceerd
door NOF Corporation), 5 gewichtsdelen "Light Ester" G201P (acrylzuuradduct van
5 glycidylmethacrylaat, geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.), 6 gewichtsde-
len "Epoxy Ester" 70PA (acrylzuuradduct van propyleenglycoldiglycidylether, gepro-
duceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.), 5 gewichtsdelen "NK Ester" A200 (dia-
crylaatester van polyethyleenglycol met een» gemiddeld molecuulgewicht van 200, ge-
produceerd door Shinnakamura Chemical Industrial Co., Ltd.), 0,1 gewichtsdeel "Irga-
10 cure" 651 (benzyldimethylketaal, geproduceerd door Ciba-Geigy), 1,5 gewichtsdelen
"Irgacure" 184 (a-hydroxyketon, geproduceerd door Ciba-Geigy), 0,01 gewichtsdeel
"Suminol Fast Cyanine Green G conc." (zure kleurstof, Kleurindex C. L: Acid Green
25, geproduceerd door Sumitomo Chemical Co., Ltd.), 0,01 gewichtsdeel "Direct Sky
Blue 6B" (geproduceerd door Hamamoto Senryou KK), 0,05 gewichtsdeel
15 "FOAMASTER" (antischuimingsmiddel, geproduceerd door San Nopco Limited),
0,015 gewichtsdeel "TINUVIN" 327 (UV-absorptiemiddel, geproduceerd door Ciba-
Geigy), 0,2 gewichtsdelen "TTP-44" (bis-(2-(2-ethoxyethoxycarbonyl)ethylthio)octyl-
thiofosfine, geproduceerd door Yodo Kagaku Co., Ltd.), en 0,005 gewichtsdeel "Q-
1300" (ammonium N-nitrosofenylhydroxylamine, geproduceerd door Wako Pure
20 Chemical Industries, Lid.) toegevoegd. Het mengsel werd gedurende 30 minuten
geroerd voor het verkrijgen van de mobiele bekledingsvloeistofsamenstelling 8 voor
een fotogevoelige harslaag (A2).
25
<Bereiding van Met Kleefiniddel Bekleed Substraat 2>
[0123] Een mengsel van 260 gewichtsdelen "Vylon" 31 SS (tolueenoplossing van
onverzadigde polyesterhars, geproduceerd door Toyobo Co., Ltd.) en 2 gewichtsdelen
"PS-8A" (benzoïne-ethylether, geproduceerd door Wako Pure Chemical Industries,
Ltd.) werd gedurende 2 uur bij 70°C verwarmd en vervolgens tot 30°C gekoeld. Aan
30 het mengsel werden 7 gewichtsdelen ethyleenglycoldiglycidyletherdimethacrylaat toe-
gevoegd, gevolgd door mengen gedurende 2 uur. Verder werden 25 gewichtsdelen
"Coronate" 3015E (ethylacetaatoplossing van meerwaardige isocyanaathars, geprodu-
ceerd door Nippon Polyurethane Industry Co., Ltd.) en 14 gewichtsdelen "EC-1368"
EU 1 555 572 Bl
35
(industrieel kleefiniddel, geproduceerd door 3M) toegevoegd voor het verkrijgen van
de kleefiniddelsamenstelling 1.
[0124] In een gemengd oplosmiddel van 200 gewichtsdelen "SOLMLX" H-ll
(alcoholmengsel, Japan Alcohol Trading Co., Ltd.) en 200 gewichtsdelen water werden
5 50 gewichtsdelen "GOHSENOL" KH-17 (polyvinylalcohol met een mate van verze-
ping van 78,5% tot 81,5%, geproduceerd door Nippon Synthetic Chemical Industry
Co., Ltd.) gedurende 2 uur bij 70°C opgelost. Vervolgens werden 1,5 gewichtsdelen
"Blemmer" G (glycidylmethacrylaat, geproduceerd door NOF Corporation) aan de op-
lossing toegevoegd en gedurende 1 uur gemengd. Vervolgens werden aan het mengsel
10 3 gewichtsdelen (dimethylaminoethylmethacrylaat)/(2-hydroxyethylmethacrylaat)/-
(methacrylzuur)copolymeer (geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.), 5 ge-
wichtsdelen "Irgacure" 651 (benzyldimethylketaal, geproduceerd door Ciba-Geigy), 21
gewichtsdelen "Epoxy Ester" 70PA (acrylzuuradduct van propyleenglycoldiglyci-
dylether, geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.), en 20 gewichtsdelen ethy-
15 leenglycoldiglycidyletherdimethacrylaat toegevoegd. Deze materialen werden gedu-
rende 90 minuten gemengd en tot 50°C gekoeld. Vervolgens werd 0,1 gewichtsdeel
"FLUORAD" TM FC-430 (geproduceerd door 3M) aan het mengsel toegevoegd en
gedurende 30 gemengd voor het verkrijgen van de kleefiniddelsamenstelling 2.
[0125] De kleefmiddel(laag)samenstelling 1 werd met een staafbekleder aangebracht
20 op een 250 pm dikke "Luminor" T60 polyesterfilm (geproduceerd door Toray
Industries) zodat de dikte na drogen 40 pm was, en het oplosmiddel werd gedurende 3
min bij 180°C in een oven verwijderd. Vervolgens werd de kleefmiddel(laag)-
samenstelling 2 met een staafbekleder aangebracht op de resulterende laag zodat de
dikte na drogen 30 pm was, gevolgd door 3 minuten drogen bij 160°C voor het
25 verkrijgen van het met kleefiniddel beklede substraat 2.
<Productie van Fotogevoelig Harsvel 2>
[0126] Het met kleefiniddel beklede substraat 2 werd aan de met kleefiniddel beklede
30 zijde bij 1000 mJ-cm belicht met licht van een lamp met super-hoge druk. Vervolgens
werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 8 voor de fotogevoelige harslaag (A2)
uitgespreid op het met kleefiniddel beklede oppervlak van het met kleefiniddel beklede
substraat 2, en werd gedurende 5 uur bij 60°C in een oven gedroogd voor het verkrijgen
EUl 555 572 Bl
36
van het fotogevoelige harsvel 2 met een totale dikte van ongeveer 900 pm, inclusief de
dikte van het substraat. De dikte van het fotogevoelige harsvel 2 werd geregeld door het
op het substraat aanbrengen van een afstandsstuk met een vooraf bepaalde dikte en
door het met een metalen rei afschrapen van bekledingsvloeistofsamenstelling 8 van het
5 gedeelte dat uitsteekt uit het afstandstuk.
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 9 Voor Afpelhulplaag (D3)>
[0127] 4 Gewichtsdelen "GOHSENOL" AL-06 (polyvinylalcohol met een verze-
10 pingsgraad van 91% tot 94%, geproduceerd door NOF Corporation) werden opgelost in
55 gewichtsdelen water, 14 gewichtsdelen methanol, 10 gewichtsdelen n-propanol, en
10 gewichtsdelen n-butanol voor het verkrijgen van de bekledingsvloeistofsamenstel-
ling 9 voor een afpelhulplaag (D3).
15 <Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 10 voor Warmtegevoelige Masker-
laag (C3)>
[0128] Een mengsel van 23 gewichtsdelen "MAI00" (roet, geproduceerd door Mit-
subishi Chemical Corporation), 15 gewichtsdelen "DIANAL" BR-95 (niet in alcohol
20 oplosbare acrylhars, geproduceerd door Mitsubishi Rayon Co., Ltd.), 6 gewichtsdelen
van een weekmaker ATBC (tributylacetylcitraat, geproduceerd door J-PLUS Co., Ltd.),
en 30 gewichtsdelen "PM acetaat" (propyleenglycolmonomethyletheracetaat, geprodu-
ceerd door Osaka Printing Ink MFG. Co., Ltd.) werd vooraf bereid, en vervolgens ge-
kneed en gedispergeerd met een driewals voor het bereiden van de roetdispersievloei-
25 stof 2. Aan de dispersievloeistof 2 werden 20 gewichtsdelen "Araldite" 6071 (epoxy-
hars, geproduceerd door Asahi-Ciba Limited), 27 gewichtsdelen "U-VAN" 2061 (me-
laminehars, geproduceerd door Mitsui Chemicals, Inc.), 0,7 gewichtsdeel "Light Ester"
P-1M (fosfaatmonomeer, geproduceerd door Kyoeisha Chemical Co., Ltd.), en 140
gewichtsdelen methylisobutylketon toegevoegd, en het mengsel werd gedurende 30
30 minuten geroerd. Vervolgens werd "PM acetaat" aan het mengsel toegevoegd zodat het
vaste-stofgehalte 33 gewichtsprocent bedroeg. Op deze wijze werd de bekledingsvloei-
stofsamenstelling 10 voor een warmtegevoelige maskerlaag (C3) verkregen.
<Bereiding van Bekledingsvloeistofsamenstelling 11 voor Warmtegevoelige Masker-
EU1 555 572 Bl
37
laag (C4)>
[0129] Een mengsel van 23 gewichtsdelen "MA100" (roet, geproduceerd door
Mitsubishi Chemical Corporation), 15 gewichtsdelen "DIANAL" BR-95 (niet in alco-
5 hol oplosbare acrylhars, geproduceerd door Mitsubishi Rayon Co., Ltd.), 6 gewichts-
delen weekmaker ATBC (tributylacetylcitraat, geproduceerd door J-PLUS Co., Ltd.),
en 30 gewichtsdelen diethyleenglycolmonoethylethermonoacetaat werd vooraf bereid,
en vervolgens gekneed en gedispergeerd met een driewals voor het bereiden van de
roetdispersievloeistof 3. Aan de dispersievloeistof 3 werden 20 gewichtsdelen "Aral-
10 dite" 6071 (epoxyhars, geproduceerd door Asahi-Ciba Limited), 27 gewichtsdelen "U-
VAN" 2061 (melaminehars, geproduceerd door Mitsui Chemicals, Inc.), 0,7 gewichts-
deel "Light Ester" P-1 M (fosfaatmonomeer, geproduceerd door Kyoeisha Chemical
Co., Ltd.), en 140 gewichtsdelen methylisobutylketon toegevoegd, en het mengsel werd
gedurende 30 minuten geroerd. Vervolgens werd diethyleenglycolmonoethylethermo-
15 noacetaat aan het mengsel toegevoegd zodat het vaste stofgehalte 33 gewichtsprocent
bedroeg. Op deze wijze werd de bekledingsvloeistofsamenstelling 11 voor een warmte-
gevoelige maskerlaag (C3) verkregen.
<Bereiding van Bekledingsvloestofsamenstelling 12 voor Hechtingaanpassingslaag
20 (B3)>
[0130] In 41 gewichtsdelen methylethylketon en 41 gewichtsdelen ethyl-Cellosolve
werden 18 gewichtsdelen "Epikote" 1256 (epoxyhars, geproduceerd door Japan Epoxy
Resins Co., Ltd.) opgelost voor het verkrijgen van de bekledingsvloeistofsamenstelling
25 12 voor een hechtingaanpassingslaag (B3).
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 5>
[0131] Bekledingsvloeistofsamenstelling 9 werd met een staafbekleder aangebracht op
30 een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumirror" S10 (geproduceerd door Toray Industries
Inc.) zodat de dikte na drogen 0,25 pm bedroeg, en gedurende 25 seconden gedroogd
bij 100°C voor het verkrijgen van een composiet van een afpelhulplaag
(D3)/beschermende laag (E). Bekledingsvloeistofsamenstelling 10 werd met een staaf-
EU 1 555 572 Bl
38
bekleder aangebracht op de afpelhulplaag (D3) van het resulterende composiet zodat de
dikte na drogen 2 pm bedroeg, en gedurende 90 seconden gedroogd bij 140°C voor het
verkrijgen van het warmtegevoelige maskerelement 5, dat een composiet is van de
warmtegevoelige maskerlaag (C3)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E). De opti-
5 sehe dichtheid (orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige
maskerelement 5 bedroeg 3,8.
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelemènt 6>
10 [0132] Bekledingsvloeistofsamenstelling 9 werd met een staafbekleder aangebracht op
een 100 pm dikke polyesterfilm "Lumhror" S10 (geproduceerd door Toray Industries
Inc.) zodat de dikte na drogen 0,25 pm bedroeg, en gedurende 25 seconden gedroogd
bij 100°C voor het verkrijgen van een composiet van afpelhulplaag (D3)/beschermende
laag (E). Bekledingsvloeistofsamenstelling 11 werd met een staafbekleder aangebracht
15 op de afpelhulplaag (D3) van het resulterende composiet zodat de dikte na drogen 2 pm
bedroeg, en gedurende 90 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen van het
warmtegevoelige maskerelement 6, dat een composiet is van de warmtegevoelige
maskerlaag (C4)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E). De optische dichtheid
(orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoelige maskerelement 6
20 bedroeg 3,8.
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 7>
[0133] Bekledingsvloeistofsamenstelling 9 werd met een staafbekleder aangebracht op
25 een 100 pm dikke polyesterfilm Lumirror" S10 (geproduceerd door Toray Industries
Inc.) zodat de dikte na drogen 0,25 pm bedroeg, en gedurende 25 seconden gedroogd
bij 100°C voor het verkrijgen van een composiet van afpelhulplaag (D3)/beschermende
laag (E). Bekledingsvloeistofsamenstelling 10 werd met een staafbekleder aangebracht
op de afpelhulplaag (D3) van het resulterende composiet zodat de dikte na drogen 2 pm
30 bedroeg, en gedurende 90 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen van
warmtegevoelige maskerlaag (C3)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E).
Bekledingsvloeistofsamenstelling 12 werd met een staafbekleder aangebracht op de
afpelhulplaag (C3) van het resulterende composiet zodat de dikte na drogen 1 pm
EUl 555 572 Bl
39
bedroeg, en gedurende 60 seconden gedroogd bij 140°C voor het verkrijgen van een
wanntegevoelig maskerelement 7, dat een composiet is van de hechtinginstellingslaag
(B3)/warmtegevoelige maskerlaag (C3)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E). De
optische dichtheid (orthochromatisch filter, transmissiemodus) van het warmtegevoe-
5 lige maskerelement 7 bedroeg 3,8.
VOORBEELD 4
[0134] Bekledingsvloeistofsamenstelling 8 werd aangebracht op de fotogevoelige
10 harslaag (A2) van het fotogevoelige harsvel 2, en het warmtegevoelige maskerelement
5 werd aangebracht op de fotogevoelige harslaag (A2) waarop bekledingsvloeistofsa-
menstelling 8 was aangebracht, zodanig dat de warmtegevoelige maskerlaag (C3) van
het warmtegevoelige maskerelement 5 in contact kwam met de fotogevoelige harslaag
(A2). Deze lagen werden gelamineerd met een kalanderwals die verwarmd was op
15 80°C voor het verkrijgen van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 5 die de ge-
laagde structuur bezat van met kleefiniddel bekleed substraat 2/fotogevoelige harslaag
(A2)/warmtegevoelige maskerlaag (C3)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E),
afgezet in die volgorde. De afstand van de kalanderwals werd zo ingesteld dat de dikte
van het composiet na afpellen van de beschermende laag (E) van de drukplaatvoorloper
20 5 950 pm bedroeg. Men liet de aangebrachte bekledingsvloeistofsamenstelling 8 na
laminering ongeveer 1 week staan, en daarbij werd het achtergebleven oplosmiddel aan
de lucht gedroogd voor het vormen van een extra dikte van de fotogevoelige harslaag
(A2).
[0135] Na afpellen van de beschermende laag (E) werd de fotogevoelige harsdruk-
25 plaatvoorloper 5 bevestigd op een plaatzetter van het type met uitwendige trommel
("CDI SPARK" (vervaardigd door Esko-Graphics NV), voorzien van een vezellaser die
licht in het infraroodgebied emitteert, zodanig dat het substraat in contact kwam met de
trommel. Er werd een testpatroon getekend met een resolutie van 156 lijnen per inch
(met inbegrip van zones met een vast patroon, 1% tot 99% halftint, 1 tot 8 punts
30 scherpe lijnen, en 1 tot 8 punts zones met omgekeerd patroon), zodat de warmtegevoe-
lige maskerlaag (C3) gevormd werd tot een beeldmasker (C3'). De warmtegevoelige
maskerlaag (C3) in het vaste patroon werd in hoofdzaak losgemaakt met laserlicht on-
der de instellingen van een laservermogen van 9 W en een rotatiesnelheid van de
EUl 555 572 Bl
40
trommel van 500. opm, zonder negatieve effecten van overmatig laservermogen, zoals
laserexcavatie van het oppervlak van de onderliggende fotogevoelige harslaag (A2) en
vervorming van het getekende patroon.
[0136] Bovendien was de warmtegevoelige maskerlaag (C3) vanwege zijn verknoopte
5 structuur bestand tegen onvolkomenheden aan de buitenzijde. Hierdoor kon de
drukplaatvoorloper gemakkelijk gehanteerd worden bij het bevestigen op de plaatzetter.
De krasbestendigheid van de warmtegevoelige maskerlaag (C3) werd geëvalueerd op
dezelfde wijze als in Voorbeeld 1. Als een resultaat daarvan drong er, zelfs na 10 heen
en weer uitgevoerde schuurhandelingen over het oppervlak, geen kras door de zwarte
10 warmtegevoelige maskerlaag (C3).
[0137] Vervolgens werd het gehele oppervlak van de plaat door het beeldmasker (C3')
heen belicht met licht (belichting: 1000 m J/cm ) van een kwiklamp met super-hoge
druk, vervaardigd door ORC MFG. Co., Ltd. met een lichtbron in het ultravioletgebied.
[0138] Vervolgens werd gedurende 1,5 minuten ontwikkeld in kraanwater van 35°C
15 met een ontwikkelmachine van het borsteltype FTW500II (vervaardigd door Toray
Industries Inc.), voorzien van een PBT (polybutyleentereftalaat)-borstel. Als gevolg
daarvan werden de afpelhulplaag (D3), het beeldmasker (C3')5 en het niet aan ultravio-
let licht blootgestelde gedeelte van de fotogevoelige harslaag (A2), die bedekt was met
het beeldmasker, selectief ontwikkeld voor het vormen van een reliëf dat een getrouw
20 negatief was van het beeldmasker (C3'). Hoewel de warmtegevoelige maskerlaag (C3)
zelf verknoopt en hydrofoob was, en derhalve niet in water oplosbaar, kon de laag (C3)
uiteindelijk ontwikkeld worden door de dikte van de laag (C3) in te stellen op slechts
2 pm en door een mechanische schuurbewerking met een harde borstel.
[0139] Het resulterende reliëf bestond alleen uit de fotogevoelige harslaag (A2), die
25 geen zwart beeldmasker (C31) bevatte, en had een scherpe vorm. Dit omdat de
warmtegevoelige maskerlaag (C3) verknoopt is en niet in water oplosbaar. De warmte-
gevoelige maskerlaag (C3) en de hydrofiele fotogevoelige harslaag (A2) worden apart
van elkaar gehouden zonder met elkaar te mengen.
30
EU 1 555 572 Bl
41
VOORBEELD 5
[0140] Bekledingsvloeistofsamenstelling 8 werd aangebracht op de fotogevoelige
harslaag (A2) van het fotogevoelige harsvel 2, en het warmtegevoelige maskerelement
5 6 werd aangebracht op de fotogevoelige harslaag (A2) waarop bekledingsvloeistofsa-
menstelling 8 was aangebracht, zodanig dat de warmtegevoelige maskerlaag (C4) van
het warmtegevoelige maskerelement 6 in contact kwam met de fotogevoelige harslaag
(A2). Deze lagen werden gelamineerd met een op 80°C verwarmde kalanderwals voor
het verkrijgen van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 6 die de gelaagde structuur
10 had van het met kleefiniddel beklede substraat 2/fotogevoelige harslaag (A2)/warmte-
gevoelige maskerlaag (C4)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E), afgezet in die
volgorde. De afstand van de kalanderwals werd zo ingesteld dat de dikte van het
composiet na afpellen van de beschermenende laag (E) van de drukplaatvoorloper 6
950 pm bedroeg. Men liet de aangebrachte bekledingsvloeistofsamenstelling 8 na
15 lamineren ongeveer 1 week staan, en daardoor werd het achtergebleven oplosmiddel
aan de lucht gedroogd voor het vormen van een extra dikte van de fotogevoelige hars-
laag (A2).
[0141] Na het afpellen van de beschermende laag (E) werd de fotogevoelige hars-
drukplaatvoorloper 6 bevestigd op een plaatzetter van het type met uitwendige trom-
20 mel, "CDI SPARK" (vervaardigd door Esko-Graphics NV), voorzien van een vezella-
ser die licht emitteert in het infraroodgebied zodanig dat het substraat in contact kwam
met de trommel. Er werd een testpatroon getekend met een resolutie van 156 lijnen per
inch (met inbegrip van zones met een vast patroon, 1% tot 99% halftint, 1 tot 8 punts
scherpe lijnen, en 1 tot 8 punts zones met omgekeerd patroon), zodat de warmtegevoe-
25 lige maskerlaag (C4) gevormd werd tot een beeldmasker (C41). De warmtegevoelige
maskerlaag (C4) in het vaste patroon werd voor het grootste deel losgemaakt met laser-
licht onder de instellingen van een laservermogen van 9 W en een rotatiesnelheid van
de trommel van 500 opm, zonder negatieve effecten van overmatig laservermogen, zo-
als laserexcavatie van het oppervlak van de onderliggende fotogevoelige harslaag (A2)
30 en vervorming van het getekende patroon. Bovendien was de warmtegevoelige mas-
kerlaag (C4) vanwege zijn verknoopte structuur bestand tegen onvolkomenheden aan
de buitenzijde. Hierdoor was de drukplaatvoorloper gemakkelijk te hanteren bij beves-
tiging op de plaatzetter. De krasbestendigheid van de fotogevoelige maskerlaag (C4)
EU 1555 572 Bl
42
werd geëvalueerd op dezelfde wijze als in Voorbeeld 1. Als een resultaat drong er, zelfs
na 10 heen en weer uitgevoerde schuurhandelingen over het oppervlak, geen kras door
de zwarte warmtegevoelige maskerlaag (C4).
[0142] Vervolgens werd het gehele oppervlak van de plaat door het beeldmasker (C4')
5 heen belicht met licht (belichting: 1000 m J/cm2) van een kwiklamp met super-hoge
druk (vervaardigd door ORC MFG. Co., Ltd.) met een lichtbron in het ultraviolette
gebied.
[0143] Vervolgens werd gedurende 1,5 minuten ontwikkeld in kraanwater van 35°C
met een ontwikkelmachine van het borsteltype FTW500 II (vervaardigd door Toray
10 Industries Inc.), voorzien van een PBT (polybutyleentereftalaat)-borstel. Als gevolg
daarvan werden de afpelhulplaag (D3), het beeldmasker (C41), en het niet met ultravio-
let licht belichte gedeelte van de fotogevoelige harslaag (A2), die bedekt was met het
beeldmasker, ontwikkeld voor het vormen van een reliëf dat een getrouw negatief was
van het beeldmasker (C4'). Hoewel de warmtegevoelige maskerlaag (C4) zelf ver-
15 knoopt en hydrofoob was, en derhalve niet in water oplosbaar, kon de laag (C4) uitein-
delijk ontwikkeld worden door de dikte van de laag (C4) in te stellen op slechts 2 pm
en mechanisch uitgevoerde schuurhandelingen met een stijve borstel.
[0144] Het resulterende reliëf bestond alleen uit de fotogevoelige harslaag (A2), die
geen zwart beeldmasker (C4') bevatte, en had een scherpe vorm. Dit omdat de
20 warmtegevoelige maskerlaag (C4) verknoopt is en niet in water oplosbaar. De warmte-
gevoelige maskerlaag (C4) en de hydrofiele fotogevoelige harslaag (A2) worden apart
van elkaar gehouden zonder met elkaar te mengen.
25
VOORBEELD 6
[0145] Bekledingsvloeistofsamenstelling 8 werd aangebracht op de fotogevoelige
harslaag (A2) van het fotogevoelige harsvel 2, en het warmtegevoelige maskerelement
7 werd aangebracht op de fotogevoelige harslaag (A2) waarop bekledingsvloeistofsa-
menstelling 8 was aangebracht, zodanig dat de hechtingaanpassingslaag (B3) van het
30 warmtegevoelige maskerelement 7 in contact kwam met de fotogevoelige harslaag
(A2). Deze lagen werden gelamineerd met een op 80°C verwarmde kalanderwals voor
het verkrijgen van de fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 7 die de gelaagde structuur
had van het met kleefiniddel beklede substraat 2/fotogevoelige harslaag (A2)/hechting-
EU1 555 572 Bl
43
aanpassingslaag (B3)/warmtegevoelige maskerlaag (C3)/afpelhulplaag (D3)/bescher-
mende laag (E), afgezet in die volgorde. De afstand van de kalanderwals werd zo
ingesteld dat de dikte van het composiet na afpellen van de beschermenende laag (E)
van de drukplaatvoorloper 7 950 pm bedroeg. Men liet de aangebrachte bekle-
5 dingsvloeistofsamenstelling 8 na lamineren ongeveer 1 week staan, en daardoor werd
het achtergebleven oplosmiddel aan de lucht gedroogd voor het vormen van een extra
dikte van de fotogevoelige harslaag (A2). .
[0146] Na het afpellen van de beschermende laag (E) werd de fotogevoelige hars-
drukplaatvoorloper 7 bevestigd op een plaatzetter van het type met uitwendige trom-
10 mel, "CDI SPARK" (vervaardigd door Esko-Graphics NV), voorzien van een vezella-
ser die licht emitteert in het infràroodgebied zodanig dat het substraat in contact kwam
met de trommel. Er werd een testpatroon getekend met een resolutie van 156 lijnen per
inch (met inbegrip van zones met een vast patroon, 1% tot 99% halftint, 1 tot 8 punts
scherpe lijnen, en 1 tot 8 punts zones met omgekeerd patroon), zodat de warmtegevoe-
15 lige maskerlaag (C3) gevormd werd tot een beeldmasker (C3'). De warmtegevoelige
maskerlaag (C3) in het vaste patroon werd voor het grootste deel losgemaakt met laser-
licht onder de instellingen van een laservermogen van 9 W en een rotatiesnelheid van
de trommel van 500 opm, zonder negatieve effecten van overmatig laservermogen, zo-
als laserexcavatie van het oppervlak van de onderliggende fotogevoelige harslaag (A2)
20 en vervorming van het getekende patroon. Bovendien was de warmtegevoelige mas-
kerlaag (C3) vanwege zijn verknoopte structuur bestand tegen onvolkomenheden aan
de buitenzijde. Hierdoor was de drukplaatvoorloper gemakkelijk te hanteren bij beves-
tiging op de plaatzetter.
[0147] Vervolgens werd het gehele oppervlak van de plaat door het beeldmasker (C31)
25 heen belicht met licht (belichting: 1000mJ/cm2) van een kwiklamp met super-hoge
druk (vervaardigd door ORC MFG. Co., Ltd.) met een lichtbron in het ultraviolette
gebied.
[0148] Vervolgens werd gedurende 1,5 minuten ontwikkeld in kraanwater van 35°C
met een ontwikkelmachine van het borsteltype FTW500II (vervaardigd door Toray
30 Industries Inc.), voorzien van een PBT (polybutyleentereftalaat)-borstel. Als gevolg
daarvan werden de afpelhulplaag (D3), het beeldmasker (C3'), en het niet aan ultravio-
let licht blootgestelde gedeelte van de fotogevoelige harslaag (A2), die bedekt was met
het beeldmasker, ontwikkeld voor het vormen van een reliëf dat een getrouw negatief
EUl 555 572 Bl
10
44
was van het beeldmasker (C31). Hoewel de warmtegevoelige maskerlaag (C3) zelf ver-
knoopt en hydrofoob was, en derhalve niet in water oplosbaar, kon de laag (C3) uitein-
delijk ontwikkeld worden door de dikte van de laag (C3) in te stellen op slechts 2 pm
en door mechanisch uitgevoerde schuurhandelingen met een harde borstel.
[0149] Het resulterende reliëf bestond alleen uit de fotogevoelige harslaag (A2), die
geen zwart beeldmasker (C3') bevatte, en had een scherpe vorm. Dit omdat de
warmtegevoelige maskerlaag (C3) verknoopt is en niet in water oplosbaar. De warmte-
gevoelige maskerlaag (C3) en de hydrofiele*fotogevoelige harslaag (A2) worden apart
van elkaar gehouden zonder met elkaar te mengen.
<Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 10>
[0150] Het warmtegevoelige maskerelement 10, dat een composiet is van de
warmtegevoelige maskerlaag (C2)/afpelhulplaag (Dl)/beschermende laag (E) werd
15 geproduceerd volgens hetzelfde proces als in Voorbeeld 1 ; behoudens dat de in Voor-
beeld 1 gebruikte bekledingsvloeistof 3 voor de laag (Cl) van wanntegevoelig masker-
composiet 1 vervangen werd door bekledingsvloeistof 7 voor de laag (C2) de ge-
droogde dikte van de laag (C2) ingesteld werd op 6 pm, en de laag (C2) gedurende 30
seconden gedroogd werd bij 120°C. De optische dichtheid (orthochromatisch filter,
20 transmissiemodus) van het resulterende warmtegevoelige maskerelement 10 bedroeg
3,4.
Productie van Wanntegevoelig Maskerelement 11>
25 [0151] Het warmtegevoelige maskerelement 11, dat een composiet is van de
warmtegevoelige maskerlaag (C2)/afpelhulplaag (D3)/beschermende laag (E) werd
geproduceerd volgens hetzelfde proces als in Voorbeeld 4; behoudens dat de in Voor-
beeld 1 gebruikte bekledingsvloeistof 10 voor de laag (C3) van het warmtegevoelige
maskerelement 5 vervangen werd door bekledingsvloeistof 7 voor de laag (C2), de ge-
30 droogde dikte van de laag (C2) ingesteld werd op 6 pm, en de laag (C2) gedurende 30
seconden gedroogd werd bij 120°C. De optische dichtheid (orthochromatisch filter,
transmissiemodus) van het resulterende warmtegevoelige maskerelement 10 bedroeg
3,4.
EU 1 555 572 Bl
45
VERGELIJKEND VOORBEELD 2
[0152] De fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 10, die een composiet is van sub-
straat/fotogevoelige harslaag (Al)/warmtegevoelige maskerlaag (C2)/afpelhulplaag
5 (Dl)/beschermende laag (E), werd geproduceerd volgens hetzelfde proces als in Voor-
beeld 1, behoudens dat het in Voorbeeld 1 gebruikte warmtegevoelige maskerelement 1
vervangen werd door het warmtegevoelige maskerelement 10. De resulterende druk-
plaatvoorloper verschilde van.de in Voorbeeld 1 geëvalueerde drukplaatvoorloper 1
doordat de niet-verknoopte, in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C2) ge-
10 bruikt werd in plaats van de warmtegevoelige maskerlaag (Cl) met een verknoopte
structuur.
[0153] De voorloper werd geëvalueerd zoals in Voorbeeld 1. Als resultaat deden zich
net als in Vergelijkend Voorbeeld 1 problemen voor die resulteren uit het gebruik van
de niet-verknoopte, in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C2), zoals een
15 geringe krasbestendigheid van de warmtegevoelige maskerlaag en achteruitgang van de
reliëfreproductie als gevolg van massaoverdracht tussen de laag (C) en de laag (A).
VERGELIJKEND VOORBEELD 3
20 [0154] De fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper 11, die een composiet is van sub-
straat/fotogevoelige harslaag (A2)/warmtegevoelige maskerlaag (C2)/afpelhulplaag
(D3)/beschermende laag (E), werd geproduceerd volgens hetzelfde proces als in Voor-
beeld 4, behoudens dat het in Voorbeeld 1 gebruikte warmtegevoelige maskerelement 5
vervangen werd door het warmtegevoelige maskerelement 11. De resulterende druk-
25 plaatvoorloper verschilde van de in Voorbeeld 4 geëvalueerde drukplaatvoorloper 5
doordat de niet-verknoopte, in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C2) ge-
bruikt werd in plaats van de warmtegevoelige maskerlaag (C3) met een verknoopte
structuur.
[0155] De voorloper werd geëvalueerd zoals in Voorbeeld 4. Als resultaat deden zich
30 net als in Vergelijkend Voorbeeld 1 problemen voor die resulteren uit het gebruik van
de niet-verknoopte, in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C2), zoals een
geringe krasbestendigheid van de warmtegevoelige maskerlaag en achteruitgang van de
reliëfreproductie als gevolg van massaoverdracht tussen de laag (C) en de laag (A).
EU 1 555 572 Bl
46
Tabel 1
Stroctum van fijtutevoehge cinannrp?l*voGfxopfr Voorbeeld Veiçebjkend Voorbeeld
bestanddeel beacfcmvmu 1 12 .5 4 IS 16 1 1 1 2 3
Dxagcr Sobstmtl bekleed met polyester Ueeâmddel Ma Ueenmdde) bekleed substraat 2 Hetnlfii.it Voorbeeld 1 Hen» lHt ih Voor-beeld 4
Ide&hftCatQI Lu« (Al) Uag(A2) L»S(A1) Lu* CA2)
Foto;evoe-hardaiçÇA) m. water* alcocoi oplosbuue of <fcyc 5*11 li ju e hars In water oplosbare hars 1:50 £0tL..}^AJ*r, m water oplosbare tun 2: 7 j ^eim Itf .ilflm Gemodificeerde porycmyla kohol 1:47 S fcmgrifnwfn Hjceläeili Voorbeeld 1 Heoe Ude ab Voorbeeld 4
Door middel van UV-ficht hardbare monomf ei BVnrmrT G. 1.5 gettù findeten Bfemmer GMFL S genirhftfekn HOA-MFE: H -ewuÜsdeleD K>l*tiaC-bydn>xy-3-meth2aoykaçr$iopTi)-m- V NKEsterA-TMM-3:4 gemditvWfn Blemsjer Ge 3 geafichEóeleii TOwrwwr GMR: 12 eetrichcdelen Light Ester G201P: 5 eemcfctsdelen Epcarjester "OPA- 6 gewidstsdekn NK Ester -Ï00:5 eewirhndelni
KwKhTifïTn. pjcwjr^liag IdenKficator Onr-bietkt Onl-bisekt Laag (BI) Ontbreekt Ora-toeekt Lug(B3> v' LugB2 Oa-braeb Ontbreekt
Ia water/akofcoï oplosbare of dtspergeeibuu hars / / In water cp-îosbare peïy-amidebai^ 1 (oietapge- ?Mwriol" 4-S0 /
Nset in nat« oplosbare hars (nietopge-Bomen) ''EpiW 1256 ?ut opeje-
warmtegevoelige maakfliuf <Q Iflfin^ fixator Lue (Cl Lue (C3) Lus (C4) Lus <C3> LMfftCÎ)
K-absorbexead matehaal "MA10O"(ro«):25 gewicbrsdeïeii "MA 100 (roef): 23 eewicfctsdelen -Prmt«"ü{roet):2 eemebt^deïen
UV-ai&orbeteod materiaal
Pyxoiy^esbare THtenmng Närokuocn'SL-gemchtsdeïen -DIANAL"BR-95 (aavlhars): 23 exuichtsdelen (Niet opgepoawn)
bi water onoplosbaar makend "Anldite"6071:17 eetuebtsdekn "U-VAN" 2061: 24 eesnehrsdeïen "Anldite'6071:20 gewirhtvMen "U-VA2T 2061:27 eenichisdelm (Niet opgenomgrQ
Ia watexfrlcabol aplasbaje of dupergeerbare bars (Nitrokatoen SL> 1 wordt opgetast ia alcohol) (Nxet opgenomen) "KP20514; 3 eraciffiJeU
OplosanddeT1 voorbelde-dmgs\taei=tof Op!o> tmddcl A Opios-DndddB Oplos-A Oplos-nrlMsl c Oplo&> middfilB Oploi-middelC Oplos-A Oplos-ncdctftl c D-PlUjMllol Witer
Afpelbiïp-l«ï(D) Idrnnficatoi Lug (Dl) Lusd«) LueO») (Om-breekt) L«e ff»i) Laag (D3)
Han GOHSENOL AL-06 GOHSENOL AL«: 100 eewichtsdeLeB GOHSENOL AW»: 7 Hetzelf -de ab Voor-beeUl Hetzelve ab Voor-beeld4
TR-ahw|^iP*ghxTr nt?t*rÏMl PRPIETS25:2 gwicrWidtlfg OSetopgenompn)
BCSIIIM lltftld c laigff) LmnmorSI0(<ïkB .100 Hm)
Productie vaa fetogevoeHçe hars-drukplaai-voodoper Fotogevoelig hxrrvtl Veil Vel 2 Veil xelî
Wanntegevoelig masks-eïenieBl Ele. mentl Be-2 He-5 Ele-5 Ele-6 He-7 fie- He- Els-meot4 Elem ent 10 11
Fotogvcoeüse bandnui-plaattooriopca- Voorio perl Voor-kper Voorloper 3 Voorloper 5 Voorloper 6 Voor-loper 7 is96F-S Veee- Voorloper 4 Vooi^ loper 10 Voorloper 11
nopiosi midsl A: "PM acetaat" (pxopyteex igiycoïmoax anftfr -ied leracetaa^ Pl ,lo SD sotte) B:A emyleesi£rj ?« kbsono« ItjriemeiQioii oacetux
Oplombddal C; SttdrynLobutyiketon
EUl 555 572 Bl
47
Tabel 2
Voorbeeld Vergelijkend Voorbeeld
1 2 3 4 5 6 1 2 3
Stap Drukplaat- ltot7
(D structuur Corresponderende conclusies 1,2,4,7 1,2,4,7, 8 1 tot 4 7,8 1,2 4 tot 7 geen
Stap (2) Instellingen voor het tekenen Tekenen met CDI SPARK (vlzellaser)
6W 6W 9W 6W 9W
van maskerpa- 300 500 opm 500 opm 300 500
troon op laag opm opm opm
(C) met IR laser
Stap (3) Vorming van latent beeld met UV-belichting met kwiklamp met super-hoge druk
900 mJ/cm2 1000 mJ/cm2 900 mJ/cm2 1000
UV licht mJ/ cm2
Stap Ontwikkelen Kraanwater 25°C Kraan- Kraanwater 25°C
(4) 1,5 min water 35°C 1,5 min 1,5 min
Krasbestendigheid van Laag (Cl) Laag Laag Laag Laag (C2)
warmtegevoelige mas- >10 (C3) (C4) (C3) 1
kerlaag (C) (aantal >10 >10 >10
schuurhandelingen voor
het vormen van door-
dringende kras)
Laag (C)/Laag (A) mas- Geen Vond plaats
saoverdracht
Resulterend reliëf Scherp Vervormd
EUl 555 572 Bl
48
Conclusies
1. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper omvattende, op een drager, in deze volg-
orde:
5
(A) een fotogevoelige harslaag (A) die een in water oplosbare of in water
dispergeerbare hars en een door middel van ultraviolet licht hardend mo-
nomeer bevat; y
(B) eventueel een laag (B) voor aanpassing van de hechting die een in water op-
10 losbare of in water dispergeerbare hars bevat;
(C) een niet in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) die een infra-
rood licht absorberend materiaal bevat,
waarbij de niet in water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) verknoopt is met
15 een hardbare hars, en waarbij,
in afwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B) de niet in water oplosbare warmte-
gevoelige maskerlaag (C) in contact met de fotogevoelige harslaag (A) gevormd is, en
in aanwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B), de niet in water oplosbare
warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de hechtingaanpassingslaag (B) ge-
20 vormd is.
2. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens conclusie 1, waarbij de hardbare
hars een combinatie is van: ten minste één verbinding gekozen uit multifunctionele
isocyanaten en multifunctionele epoxyverbindingen; en ten minste één verbinding ge-
25 kozen uit harsen op basis van ureum, verbindingen op basis van amine, verbindingen
op basis van amide, een hydroxygroep bevattende verbindingen, carbonzuurverbindin-
gen, en verbindingen op basis van thiol.
3. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens conclusie 1 of 2, waarbij de
30 hechtingaanpassingslaag (B) aanwezig is tussen de fotogevoelige harslaag (A) en de
warmtegevoelige maskerlaag (C).
EU 1 555 572 Bl
49
4. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens een van de voorgaande
conclusies, waarbij de fotogevoelige harslaag (A) een polyamidehars bevat.
5. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens een van de conclusies 1-3,
5 waarbij de fotogevoelige harslaag (A) polyvinylalcohol, gedeeltelijk verzeepte
polyvinylalcohol, of hun gemodificeerde vorm, bevat.
6. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens een van de voorgaande
conclusies, waarbij de warmtegevoelige maskerlaag (C) een acrylhars en geen
10 nitrocellulose bevat.
7. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens een van de voorgaande
conclusies, verder omvattende: een beschermende laag (E); of een afpelhulplaag (D) en
een beschermende laag (E), op de warmtegevoelige maskerlaag (C).
15
8. Fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens conclusie 7, waarbij de
afpelhulplaag (D) een infrarood licht absorberend materiaal en/of een pyrolyseerbare
verbinding bevat.
20 9. Werkwijze voor het produceren van een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper,
welke werkwijze de stappen omvat van:
(i) het vormen van een fotogevoelig harsvel door het op een substraat afzetten
van een fotogevoelige harslaag (A) die een in water oplosbare of in water
25 dispergeerbare hars en een door middel van ultraviolet licht hardbaar mo-
nomeer bevat;
(ii) het vormen van een wanntegevoelig maskerelement omvattend een niet in
water oplosbare warmtegevoelige maskerlaag (C) die verknoopt is met een
hardbare hars;
30 (iii) eventueel verschaffen, tussen de fotogevoelige harslaag (A) en de
warmtegevoelige maskerlaag (C), van een de hechting aanpassende laag
(B) die een in water oplosbare of in water dispergeerbare hars bevat; en
(iv) het lamineren van het oppervlak van de fotogevoelige harslaag (A) van het
EUl 555 572 Bl
50
fotogevoelige harsvel op het warmtegevoelige maskerelement; waarbij,
in afwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B), de niet in water oplos-
bare warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de fotogevoelige
harslaag (A) gevormd wordt, en
5 in aanwezigheid van de hechtingaanpassingslaag (B) de niet in water op-
losbare warmtegevoelige maskerlaag (C) in contact met de hechtingaanpas-
singslaag (B) gevormd wordt.
y
10. Werkwijze volgens conclusie 9, waarbij het warmtegevoelige maskerelement
10 een beschermende laag (E) en de warmtegevoelige maskerlaag (C) omvat, en het
lamineren zodanig uitgevoerd wordt dat de warmtegevoelige maskerlaag (C) van het
warmtegevoelige maskerelement in contact komt met het oppervlak van de
fotogevoelige harslaag (A).
15 11. Werkwijze volgens conclusie 10, waarbij een afpelhulplaag (D) aangebracht
wordt tussen de beschermende laag (E) en de warmtegevoelige maskerlaag (C).
12. Werkwijze volgens conclusie 9, waarbij het warmtegevoelige maskerelement de
warmtegevoelige maskerlaag (C) en een de hechting aanpassende laag (B) omvat, en
20 het lamineren zodanig uitgevoerd wordt dat de hechtingaanpassingslaag (B) van het
warmtegevoelige maskerelement in contact komt met het oppervlak van de fotogevoe-
lige harslaag (A).
13. Werkwijze volgens conclusie 9, waarbij, in de stap van het vormen van het
25 warmtegevoelige maskerelement, de warmtegevoelige maskerlaag (C) afgezet wordt
terwijl deze verwarmd wordt, en daardoor de verknoopte structuur daarin gevormd
wordt.
14. Werkwijze voor het produceren van een hoogdrukplaat, welke werkwijze de
30 stappen omvat van:
(1) het vervaardigen van een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens een
van de conclusies 1-9;
EU 1 555 572 Bl
51
(2) het vormen van een beeldmasker (C) door het beeld voor beeld bestralen
van de warmtegevoelige maskerlaag (C) met infrarood laserlicht;
(3) het door het beeldmasker (C) heen belichten met ultraviolet licht voor het
5 vormen van een latent beeld op de fotogevoelige harslaag (A): en
(4) het verwijderen van het beeldmasker (C) en de niet met ultraviolet licht be-
lichte gedeelten van de fotogevoelige harslaag (A) door ontwikkelen met
een op water gebaseerde vloeistof. k
10 15. Werkwij ze volgens conclusie 14,
waarbij (1) een fotogevoelige harsdrukplaatvoorloper volgens conclusie 8 gebruikt
wordt, en
(2) ten minste een deel van de beschermende laag (E) afgepeld wordt voordat de
warmtegevoelige maskerlaag (C) beeld voor beeld bestraald wordt met infrarood laser-
15 licht.
******
EUl 555 572 Bl